Economie
Geldzaken 2
Procenten en indexcijfers 2
Inkomen 2
Sparen en lenen 2
Verzekeren 2
Welvaart 3
Het bbp 3
Belasting 3
Ongelijkheid 3
Internationale handel 3
Speltheorie 4
Speltheorie 4
Markt 5
Vraag en aanbod 5
Elasticiteiten 5
Overheidsingrijpen 5
Volkomen concurrentie 5
Marktvormen 5
Arbeid 6
Vraag en aanbod 6
Werkloosheid 6
Pensioen 6
Principaal-agent 6
Crisis 7
Begrotingsbeleid 7
Geldbeleid 7
Wisselkoersbeleid 7
Keynesiaans model 7
IS-MB-GA model 7
,Geldzaken
1.1 Procenten en indexcijfers
Van absolute getallen naar procenten
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Procentueel aandeel (deel / geheel) x 100%
Procentuele verandering ((nieuw - oud) / oud x 100%
Verschil procent en procentpunt Procent is een honderdste deel
Procentpunt is het absolute verschil tussen twee
percentages
Verschil procent en promille 1 promille = 0,1%
Van procenten naar absolute getallen
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Het procentuele aandeel is gegeven, je 1. Tabel maken
moet het absolute getal uitrekenen 2. Gegevens invullen in $ en %
Het procentuele verschil is gegeven, je 3. Basis gelijkstellen aan 100
moet het absolute getal uitrekenen 4. Oplossen
Van procenten naar procenten
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Procentuele verandering berekenen mbv 1. Basis = 100
procentuele veranderingen 2. Eindwaarde berekenen
3. Vergelijk met 100
Indexcijfers
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Absolute getallen als indexcijfers schrijven Indexcijfer = (waarde / basiswaarde) x 100
Procentuele verandering als indexcijfer 1. Basis = 100
schrijven 2. Eindwaarde berekenen
3. Vergelijk met 100
Procentuele verandering berekenen mbv ((nieuw - oud) / oud) x 100%
indexcijfers
, Basisjaar verleggen van een reeks Indexcijfer = (waarde / basiswaarde) x 100
indexcijfers
1.2 Inkomen
Inkomen en inflatie
Er zijn twee soorten inkomen:
1) Primaire inkomens: met een tegenprestatie
a) Inkomen uit arbeid: loon
b) Inkomen uit vermogen: rente, huur/pacht, winst
2) Overdrachtsinkomens: zonder tegenprestatie. Dit zijn uitkeringen en toeslagen.
Je hebt ook het secundair inkomen, ook wel het besteedbaar inkomen. Deze bereken je
als volgt:
Secundair inkomen = primair inkomen - belastingen en premies + sociale uitkeringen en
toeslagen
Inflatie is de gemiddelde prijsstijging van goederen en diensten die consumenten kopen.
Hierdoor daalt de koopkracht, ook wel geldontwaarding. Oorzaken van inflatie kunnen zijn:
de stijging van lonen of de btw wat wordt doorberekend in de prijs.
Hyperinflatie is een extreme prijsstijging. De centrale bank creëert grote hoeveelheden geld
die niet in verhouding staan tot de economische groei. De koopkracht daalt en men verliest
het vertrouwen in geld.
Deflatie is de gemiddelde prijsdaling van goederen en diensten die consumenten kopen.
Oorzaken zijn het dalen van de productiekosten of te lage bestedingen van consumenten.
Als mensen een daling van de prijzen verwachten zullen ze aankopen uitstellen.
Inflatie wordt gemeten met het consumentenprijsindexcijfer (CPI). Dit is een
samengesteld gewogen prijsindexcijfer: de enkelvoudige indexcijfers hebben een bepaalde
wegingsfactor en worden samengevoegd.
Koopkracht
Reëel inkomen: de koopkracht
Nominaal inkomen: inkomen in euro’s, primair inkomen en overdrachtsinkomen
Inflatie: stijging van de prijzen
, Prijscompensatie is een loonsverhoging om de inflatie te compenseren. De koopkracht blijft
gelijk.
Reële verandering van het inkomen = nominale verandering van het inkomen - inflatie
RIC = NIC / PIC
1.3 Sparen en lenen
Sparen en lenen
Inkomen is een stroomgrootheid en wordt over een bepaalde periode gemeten.
Vermogen is een voorraadgrootheid en wordt op een bepaald moment gemeten.
Er is sprake van een positief verband tussen inkomen en vermogen: als de één daalt, dan
daalt de ander ook, en andersom.
In een financiële levensloop is er sprake van ruil tussen generaties. In jouw jeugd betalen
jouw ouders de kosten voor levensonderhoud. Jouw pensioen wordt betaald door de
werkende generatie die belastingen en premies afdragen.
Of mensen gaan sparen of lenen hangt af van:
1) Levensfase
2) Rente
3) Inflatie
4) Consumentenvertrouwen
Ruilen over de tijd is de consumptie van nu vervangen door de consumptie in de toekomst,
of andersom. Bij sparen stel je consumptie uit naar de toekomst, bij lenen haal je
consumptie naar voren.
Mensen met een lage tijdsvoorkeur sparen en betalen spaarrente. Mensen met een hoge
tijdsvoorkeur lenen en betalen leenrente. De bank verdient een rentemarge, ook wel het
verschil tussen de spaarrente en de leenrente.
Er zijn twee soorten leningen:
1) Lening zonder onderpand: consumptief krediet
2) Lening met onderpand: hypotheeklening
Rente is ook wel een vergoeding voor:
- Ruilen over tijd
- Inflatierisico
- Risico van wanbetaling (dat een lening niet terug wordt betaald)
Geldzaken 2
Procenten en indexcijfers 2
Inkomen 2
Sparen en lenen 2
Verzekeren 2
Welvaart 3
Het bbp 3
Belasting 3
Ongelijkheid 3
Internationale handel 3
Speltheorie 4
Speltheorie 4
Markt 5
Vraag en aanbod 5
Elasticiteiten 5
Overheidsingrijpen 5
Volkomen concurrentie 5
Marktvormen 5
Arbeid 6
Vraag en aanbod 6
Werkloosheid 6
Pensioen 6
Principaal-agent 6
Crisis 7
Begrotingsbeleid 7
Geldbeleid 7
Wisselkoersbeleid 7
Keynesiaans model 7
IS-MB-GA model 7
,Geldzaken
1.1 Procenten en indexcijfers
Van absolute getallen naar procenten
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Procentueel aandeel (deel / geheel) x 100%
Procentuele verandering ((nieuw - oud) / oud x 100%
Verschil procent en procentpunt Procent is een honderdste deel
Procentpunt is het absolute verschil tussen twee
percentages
Verschil procent en promille 1 promille = 0,1%
Van procenten naar absolute getallen
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Het procentuele aandeel is gegeven, je 1. Tabel maken
moet het absolute getal uitrekenen 2. Gegevens invullen in $ en %
Het procentuele verschil is gegeven, je 3. Basis gelijkstellen aan 100
moet het absolute getal uitrekenen 4. Oplossen
Van procenten naar procenten
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Procentuele verandering berekenen mbv 1. Basis = 100
procentuele veranderingen 2. Eindwaarde berekenen
3. Vergelijk met 100
Indexcijfers
Wat je moet kunnen of kennen Hoe pak je het aan?
Absolute getallen als indexcijfers schrijven Indexcijfer = (waarde / basiswaarde) x 100
Procentuele verandering als indexcijfer 1. Basis = 100
schrijven 2. Eindwaarde berekenen
3. Vergelijk met 100
Procentuele verandering berekenen mbv ((nieuw - oud) / oud) x 100%
indexcijfers
, Basisjaar verleggen van een reeks Indexcijfer = (waarde / basiswaarde) x 100
indexcijfers
1.2 Inkomen
Inkomen en inflatie
Er zijn twee soorten inkomen:
1) Primaire inkomens: met een tegenprestatie
a) Inkomen uit arbeid: loon
b) Inkomen uit vermogen: rente, huur/pacht, winst
2) Overdrachtsinkomens: zonder tegenprestatie. Dit zijn uitkeringen en toeslagen.
Je hebt ook het secundair inkomen, ook wel het besteedbaar inkomen. Deze bereken je
als volgt:
Secundair inkomen = primair inkomen - belastingen en premies + sociale uitkeringen en
toeslagen
Inflatie is de gemiddelde prijsstijging van goederen en diensten die consumenten kopen.
Hierdoor daalt de koopkracht, ook wel geldontwaarding. Oorzaken van inflatie kunnen zijn:
de stijging van lonen of de btw wat wordt doorberekend in de prijs.
Hyperinflatie is een extreme prijsstijging. De centrale bank creëert grote hoeveelheden geld
die niet in verhouding staan tot de economische groei. De koopkracht daalt en men verliest
het vertrouwen in geld.
Deflatie is de gemiddelde prijsdaling van goederen en diensten die consumenten kopen.
Oorzaken zijn het dalen van de productiekosten of te lage bestedingen van consumenten.
Als mensen een daling van de prijzen verwachten zullen ze aankopen uitstellen.
Inflatie wordt gemeten met het consumentenprijsindexcijfer (CPI). Dit is een
samengesteld gewogen prijsindexcijfer: de enkelvoudige indexcijfers hebben een bepaalde
wegingsfactor en worden samengevoegd.
Koopkracht
Reëel inkomen: de koopkracht
Nominaal inkomen: inkomen in euro’s, primair inkomen en overdrachtsinkomen
Inflatie: stijging van de prijzen
, Prijscompensatie is een loonsverhoging om de inflatie te compenseren. De koopkracht blijft
gelijk.
Reële verandering van het inkomen = nominale verandering van het inkomen - inflatie
RIC = NIC / PIC
1.3 Sparen en lenen
Sparen en lenen
Inkomen is een stroomgrootheid en wordt over een bepaalde periode gemeten.
Vermogen is een voorraadgrootheid en wordt op een bepaald moment gemeten.
Er is sprake van een positief verband tussen inkomen en vermogen: als de één daalt, dan
daalt de ander ook, en andersom.
In een financiële levensloop is er sprake van ruil tussen generaties. In jouw jeugd betalen
jouw ouders de kosten voor levensonderhoud. Jouw pensioen wordt betaald door de
werkende generatie die belastingen en premies afdragen.
Of mensen gaan sparen of lenen hangt af van:
1) Levensfase
2) Rente
3) Inflatie
4) Consumentenvertrouwen
Ruilen over de tijd is de consumptie van nu vervangen door de consumptie in de toekomst,
of andersom. Bij sparen stel je consumptie uit naar de toekomst, bij lenen haal je
consumptie naar voren.
Mensen met een lage tijdsvoorkeur sparen en betalen spaarrente. Mensen met een hoge
tijdsvoorkeur lenen en betalen leenrente. De bank verdient een rentemarge, ook wel het
verschil tussen de spaarrente en de leenrente.
Er zijn twee soorten leningen:
1) Lening zonder onderpand: consumptief krediet
2) Lening met onderpand: hypotheeklening
Rente is ook wel een vergoeding voor:
- Ruilen over tijd
- Inflatierisico
- Risico van wanbetaling (dat een lening niet terug wordt betaald)