Kwalitatief onderzoek - Week 1
Bronnen van kennis:
- Intuitie: eigen mening. Het is bias op 5 manieren:
1. Sommige verhalen voelen natuurlijk. We geloven een goed verhaal/naïef.
2. We geloven graag de dingen die snel in ons opkomen. Als je autorijdt, zeur je over
het roodlicht, dat is alleen zo omdat je er meer tijd besteed. Je denkt niet aan alle
keren dat je door groen reed.
3. We letten niet op wat absent is.
4. We willen bewijs waar we van houden en wat we al weten. Confirmation bias.
5. Bias blind spot: we denken niet dat we bias zijn.
- Ervaring: zelf waargenomen. Het is cofound: er is nooit maar een verklaring. Er
gebeurt te veel in de omgeving. “Frisdrank leidt tot kanker”. Misschien zijn er ook
andere verklaringen, zoals de lucht, en slechte rookgewoontes. Heeft ook geen
comparison groep
- Autoriteit: iemand met hoge status heeft een mening/uitspraak
Kenmerken wetenschappelijk onderzoek:
- Empirisch onderzoek: gebaseerd op systematische observaties/waarnemingen.
Meten van bijv. narcisme en de mensen die selfies maken.
- Controleerbaar: de manier van een onderzoek moet controleerbaar zijn. Dat wordt
gecontroleerd door peers/collega’s.
- Probabilistisch: het doen van uitspraken in onzekerheid. Het is niet de waarheid. Er is
geen bewijs. Maar de verzamelde data is ondersteuning voor de theorie. De uitkomst
verklaart nooit alle gevallen. Het feit dat je broer slechte ervaringen had met een
Audi A4, betekend niet dat alle Audi A4’s slecht zijn.
1. Theorie.
Een geheel van denkbeelden en hypothesen en verklaringen die in samenhang worden
beschreven. Het is een getoetst model ter verklaring van waarnemingen van de
werkelijkheid. Voorbeeld: Harlow zei dat comfort, niet eten, de primaire basis was van de
liefde van de aap voor de moeder.
1
2
3
4
5
,* Pagina 13 cyclus.
-> je gaat nooit achter de waarheid te komen. Er is altijd onzekerheid. De gegevens zijn alleen ter
ondersteuning van de theorie, het is niet “bewijs”.
Kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie:
- Ondersteund door data: data uit wetenschappelijk onderzoek
- Falsifieerbaar zijn: een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens. Een hypothese kan dus fout zijn en in tegendeel bewezen
worden door de verzamelde data. VB: menselijk ziel valt niet te bewijzen.
- Spaarzaam (parsimonious): als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om
deze complexer te maken. Een eenvoudige simpele theorie is beter. Maar soms moet
je wel meer diepgang brengen.
2. Onderzoeksvragen
In wetenschappelijk onderzoek zijn er twee soorten onderzoeksvragen:
1. Fundamenteel (Basic). Verzamelen van kennis zonder dat er een praktijkprobleem
moet worden opgelost. Je wil gewoon meer kennis vergaren over het onderwerp. Je
bent nieuwsgierig naar dyslectie. Hier breng je de werkelijkheid in kaart.
2. Toegepast. (Applied). Hier wil je echt wat mee bereiken. Een directeur van een
basisschool wil kijken of hij met een bepaalde leesmethode kinderen met dyslectie
kan helpen. Hij wil een praktisch probleem oplossen. Hier weet je al dat het een
probleem is.
“Worden jongeren narcistisch van het gebruik van social media?” is een fundamentele
onderzoeksvraag. “Wat kan ik eraan doen om narcisme te voorkomen op Instagram?” is een
toegepaste onderzoeksvraag.
3. Onderzoeksontwerp
De onderzoeksvraag leidt tot een onderzoeksontwerp. Hoe kun je zo goed mogelijk
antwoord geven op je onderzoeksvraag.
- Wat voor soort empirische gegevens worden verzameld? Op welke manier? Bij wie?
- Kwalitatieve of kwantitatieve gegevens?
Kwalitatief: analyse van datagegevens. Tekst achtige gegevens (interviews, verslagen,
observatie aanstekingen).
Kwantitatief: metingen met cijfers.
- Bij wie worden empirische gegevens verzameld? Wie worden er geïnterviewd? Bij
welke kinderen ga ik IQ meten? Hoe selecteer ik de deelnemers van mijn onderzoek?
4. Hypothesen
Specifieke verwachtingen. Zo maakt hij zijn onderzoek wat preciezer. Heel specifiek
formuleren wat je wil onderzoeken. Zo kan je het pas onderzoeken. Dit doen mensen die
kwantitatief onderzoek doen. Zo maak je hetgeen wat je wil meten meetbaar.
Mensen met kwalitatief onderzoek hebben een bredere benadering. Die hebben geen
specifieke hypothese die ze willen weerleggen.
, Onderzoekers verwachten dat deze hypothese uit het onderzoek voortkomt. Voorbeeld:
Harlow’s hypothese was dat de apen meer bij de zachte nep aap zouden blijven, dan bij de
aap van staal met eten.
5. Data
Data zijn een stuk observaties. Voorbeeld: Harlow’s data is de tijd dat de aap bij de zachte
nep aap bleef, en bij de aap van staal met eten.
De data kan voor of tegen de theorie werken. Als de data niet klopt met de hypothese van
de theorie, dan moet je de theorie veranderen.
Als het allemaal klaar is, word het onderzoek in een wetenschappelijk journal voorgesteld.
Dan gaan vakgenoten het kritisch beoordelen.