Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 – Verbintenissenrecht: plaatsbepaling........................................................................................ 1
Hoofdstuk 2 – Rechtsfeiten............................................................................................................................ 4
Hoofdstuk 3 – Wilsontbreken, nietigheid en vernietigbaarheid.......................................................................8
Hoofdstuk 4 – Ontstaan van verbintenissen uit overeenkomst.....................................................................17
Hoofdstuk 5 – Inhoud van verbintenissen uit overeenkomst.........................................................................20
Hoofdstuk 6 – Nakoming van verbintenissen................................................................................................22
Hoofdstuk 7 – Onrechtmatige daad.............................................................................................................. 33
Hoofdstuk 8 – Schade................................................................................................................................... 38
Hoofdstuk 1 – Verbintenissenrecht: plaatsbepaling
1.1 – Inleiding
Verbintenis: een juridische relatie tussen 2 (of meer) partijen, waarbij de ene partij verplicht
is tot een op geld waardeerbare prestatie waarop de andere partij recht heeft.
* Prestatie: verplichting tot een doen of laten.
* Voorwaarde prestatie: op geld waardeerbaar.
* Een verbintenis moet worden nagekomen > anders aansprakelijk voor de gevolgen.
Bronnen van verbintenissen:
1. Uit overeenkomst
2. Uit de wet (rechtmatige en onrechtmatige daad)
1.2 – Verbintenissen uit overeenkomst
Uit overeenkomsten vloeien rechten en verplichtingen voort: verbintenissen.
* VB overeenkomst: koopovereenkomst, arbeidsovereenkomst.
Overeenkomst: afspraak tussen 2 partijen.
* Komt tot stand door aanbod en aanvaarding.
* Wilsovereenstemming: uit aanbod en aanvaarding moet blijken dat de wil van de partijen
overeenstemt.
* Bij de meeste overeenkomsten ontstaan er 2 verbintenissen.
* Tenietgaan van een verbintenis: als een verbintenis wordt nagekomen, houdt zij op te
bestaan.
Schuldenaar: partij die verplicht is tot een prestatie.
Schuldeiser: partij die recht heeft op een prestatie.
,Object van de verbintenis: de prestatie.
Rechtssubjecten: dragers van rechten en plichten.
Tekortkoming in de nakoming van een verbintenis: wanprestatie.
* Wanneer een partij haar verbintenis niet (goed) nakomt.
Prestaties die bestaan uit een doen:
1. Betaling van een geldsom (abonnementskosten betalen).
2. Levering van een goed (een beker koffie).
3. Het verrichten van diensten (diensten die het telefoonbedrijf levert).
* Een prestatie kan ook bestaan uit een combinatie van deze vormen.
Prestatie die bestaat uit een nalaten:
1. Concurrentiebeding (een verbintenis om niet in dienst te treden bij de concurrent).
1.3 – Verbintenissen uit de wet: onrechtmatige daad
Onrechtmatige daad
* VB: met je fiets tegen een auto aanrijden waardoor er een kras ontstaat, een vaas laten
vallen bij een kennis.
Schade toebrengen aan een ander door onrechtmatige daad > wettelijke aansprakelijkheid >
verbintenis tot het vergoeden van de schade.
* Er ontstaan slechts 1 verbintenis.
Schadevergoeding: de benadeelde wordt zo veel mogelijk teruggebracht in de positie waarin
hij verkeerde toen de schade nog niet was ontstaan.
Verschillen verbintenissen uit overeenkomst en uit onrechtmatige daad:
- Overeenkomst: 2 verbintenissen / onrechtmatige daad: 1 verbintenis.
- Overeenkomst: wilsovereenstemming / onrechtmatige daad: verbintenis ontstaat uit de
wet door een feitelijke handeling en een wettelijke bepaling.
WA-verzekering: verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
* Verplicht voor iedereen die met een gemotoriseerd voertuig aan het verkeer deelneemt.
* Biedt alleen dekking als schade onopzettelijk is veroorzaakt.
* Verbintenisrechtelijk: opzettelijk of onopzettelijk maakt voor aansprakelijkheid geen
verschil.
1.4 – Andere verbintenissen uit de wet: rechtmatige daad
Rechtmatige daad:
1. Onverschuldigde betaling
* Wanneer er geen verbintenis was tot het betalen van het bedrag.
2. Ongerechtvaardigde verrijking
, * Wanneer er onverschuldigd geld op je bank stond waar je rente over hebt
ontvangen.
3. Zaakwaarneming
* VB: wanneer je buurman je raam repareert terwijl je op vakantie bent.
* Wil speelt geen rol, verbintenis ontstaat door feitelijke handeling (of gebeurtenis) in
combinatie met een wettelijke bepaling.
1.5 – Verbintenissenrecht: onderdeel van het privaatrecht
Verbintenissenrecht:
1. Geeft regels voor situaties waarin schade ontstaat.
2. Geeft regels die gelden wanneer er overeenkomsten gesloten worden.
1.6 – Privaatrecht: vermogensrecht en personenrecht
Het privaatrecht kan worden opgedeeld in:
1. Vermogensrecht
2. Personenrecht (regelt wie er drager kunnen zijn van rechten en plichten en bepaalt wie er
een vermogen kunnen hebben)
Personenrecht kan worden opgedeeld in:
1. Personen- en familierecht (natuurlijke personen)
2. Rechtspersonenrecht (nv’s, bv’s, stichtingen en verenigingen)
Rechtspersonen hebben dezelfde bevoegdheden als natuurlijke personen.
* Voordelen rechtspersonen:
1. Kan niet overlijden > zekerheid voor klanten die overeenkomsten sluiten.
2. Rechtspersonen bieden ondernemingen de mogelijkheid om via de uitgifte van
aandelen kapitaal te vergaren op de aandelenmarkt.
* Er zijn natuurlijke personen nodig die namens de rechtspersoon handelen.
Vermogensrecht kan worden opgedeeld in:
1. Goederenrecht (bepaalt waaruit een vermogen kan bestaan)
2. Verbintenissenrecht (bepaalt hoe je je vermogen kunt verhandelen en bepaalt wat er
gebeurt als iemand schade toebrengt aan je vermogen)
* Vermogen: alles wat een natuurlijk person (of rechtspersoon) bezit en op geld
waardeerbaar is.
1.7 – Overheid en privaatrecht
Gemeenten, provincies en uitkeringsinstanties hebben een rechtspersoonlijkheid en kunnen
net als burgers overeenkomsten sluiten. Zij handelen dan feitelijk zoals een gewoon
natuurlijk- of rechtspersoon ook zou kunnen doen.
1.8 – Privaatrecht: wetgeving
, Wetgeving op het gebied van privaatrecht:
1. Burgerlijk wetboek (BW)
2. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
3. Faillissementswet (Fw)
1.9 – Opbouw en structuur van het Burgerlijk Wetboek
1. Personen- en familierecht
2. Rechtspersonen
3. Vermogensrecht in het algemeen
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten
6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht
7. Bijzondere overeenkomsten
7A. Bijzondere overeenkomsten; vervolg
8. Verkeersmiddelen en vervoer
10. Internationaal privaatrecht
1.10 – Gelaagde opbouw van het BW
Gelaagde opbouw: van algemeen naar bijzonder.
1.11 - Notatie van wetsartikelen
1.12 – Beginselen en uitgangspunten van het privaatrecht
1. Contractsvrijheid
2. Pacta sunt servanda
3. Vormvrijheid
4. Redelijkheid en billijkheid
5. Bijzonder gaat voor algemeen
1.13 – Procederen in het privaatrecht: materieel en formeel recht
Materieel recht (inhoudelijk recht): bepaalt wie in welke situatie waarop recht heeft.
Formeel recht: procedures waarmee iemand zijn recht kan verwezenlijken.
Hoofdregel burgerlijk procesrecht: wie stelt, bewijst.
1.14 – Jurisprudentie
Hoofdstuk 2 – Rechtsfeiten
2.1 – Inleiding: rechtsfeiten
Feiten zonder rechtsgevolg: zaken waaraan het recht geen gevolgen verbindt.