Samenvatting geschreven door M.A uit den Boogaard.
Bevat biomedisch, CGO, Recht, Verpleegkunde, Psychologie.
Biomedisch:
Psychische stoornis: Algemene term voor elke emotionele of organische geestelijke aantasting die
zich manifesteren in onaangepast gedrag, psychologische problemen of aantasting van één of
meerdere belangrijke functioneringsgebieden.
Begrippen
Cognitief: het vermogen om kennis op te nemen en verwerken, maar ook waarnemen, denken,
taal, bewustzijn, geheugen, aandacht en concentratie. (Kennen)
Kunnen voorkomen na beroerte of psychose, bij hart- en vaatziekten, drugsgebruik en depressie.
Affectief: gedrag dat wordt gemotiveerd door affecten en emotie. Een bepaalde stimulus kan een
ongecontroleerde reactie tot gevolg hebben waarvan de betekenis niet altijd duidelijk is. Dat
betekent niet dat het handelen niet gerationaliseerd kan worden. (Voelen)
Conatief: gedrag van de respondent ten opzichte van de situatie of het onderwerp. (Doen)
Psychiatrisch onderzoek: Classificatie psychische aandoening
Een psychisch gezonde patiënt functioneert normaal. Daarna volgen de patiënten die wel klachten en
of problemen hebben maar geen psychische stoornis. Deze mensen moeten onderscheiden worden van
mensen waarbij wel sprake is van een psychische stoornis.
Stappen bij onderzoek:
Stap 1: Is er sprake van een cognitieve stoornis, zoals een geheugenstoornis, of een beneveld
bewustzijn? Voorbeelden zijn dementie, gebruik van medicatie, gebruik van drugs/alcohol.
Stap 2: Is er sprake van psychotische kenmerken? Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen wanen
(zoals betrekkingswanen, paranoïde wanen, grootheidswanen) en hallucinaties (zoals auditieve
hallucinaties, visuele hallucinaties, reukhallucinaties, haptische hallucinaties etc.).
Stap 3: Is er sprake van een depressieve stemming of een depressie?
Hieronder vallen:
Unipolaire depressie: de patiënt is neerslachtig, somber, heeft geen energie en geen plezier meer
in de dingen die hij/zij doet. Omdat deze mensen vaak niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, kan
dit zich uiten in een slechte mondhygiëne, slechte motivatie voor zelfzorg en een droge mond (ten
gevolge van de antidepressiva).
Bipolaire depressie: Hierbij treden er (soms sterke) schommelingen op in de bovengenoemde
symptomen.
Stap 4: Is er sprake van gewichtsverandering of abnormaal eten? Voorbeelden zijn eetstoornissen
zoals anorexia nervosa en boulimia nervosa. In de mond kan dit zichtbaar zijn door:
Sterk verkorte voortanden ten gevolge van slijtage.
, Tanderosie op vlakken waar tanden geen contact met elkaar maken.
Mucosale irritaties, droge mond, duizeligheid, misselijkheid, verward gedrag.
Stap 5: Gaat het om onverklaarde lichamelijke klachten?
Dit zijn onder andere:
(Somatoforme) pijnstoornis
Conversiestoornis
Ongedifferentieerde somatoforme stoornis, waaronder kokhalzen.
Stap 6: Is er sprake van angsten?
Lichamelijk onderzoek: Soms is lichamelijk onderzoek nodig. De psychiater kan hiervoor een andere
arts inschakelen. Bijvoorbeeld een neuroloog, als hij vermoedt dat klachten te maken hebben met
beginnende dementie.
Persoonlijk onderzoek: De psychiater probeert erachter te komen wat voor persoon iemand is en hoe
deze met problemen om gaat. Bepaalde persoonlijkheidskenmerken vergroten de kans op psychische
problemen. Mensen met weinig zelfvertrouwen krijgen bijvoorbeeld eerder een depressie.
Vragenlijst: De psychiater stelt zelf vragen, maar laat ook vragenlijsten invullen. Daardoor verloopt
het onderzoek systematisch. De psychiater kan op die manier geen vragen vergeten of overslaan.
Aanvullend onderzoek: Soms is aanvullend (lichamelijk) onderzoek nodig. Bijvoorbeeld onderzoek
dat iets zegt over de werking van de hersenen. Een functionele MRI is zo’n onderzoek. Zo zoekt de
psychiater naar een verband tussen wat er in de hersenen gebeurt en uw klachten.
Diagnose: Op basis van de onderzoeken stelt de psychiater de diagnose. In een verslag beschrijft hij
welke onderzoeken er zijn gedaan en welke resultaten die hebben opgeleverd. Het gaat alleen om
feiten. Pas daarna beschrijft hij welke conclusies hij heeft getrokken. En hoe hij tot die conclusies is
gekomen. Op die manier blijft het verslag zo objectief (onpartijdig) mogelijk. Tot slot geeft de
psychiater aan om welke psychische stoornis het gaat. Hiervoor gebruikt hij de DSM (Diagnostic and
Statistical Manual of Mental Disorders) .
DSM-5: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (kortweg DSM) is een handboek
dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient. De DSM was
noodzakelijk geworden om een einde te maken aan de grote internationale spraakverwarring in de
literatuur over psychische aandoeningen. Termen als "depressie" en/of "psychose" werden door
verschillende auteurs heel anders ingevuld en waren vaak ook nationaal gekleurd.
Zo kon met de DSM veel meer eenheid gebracht worden in diagnosen: het was nodig om alle
symptomen duidelijk te omschrijven, en precies te definiëren welke symptomen kunnen voorkomen
bij een ziektebeeld, en hoeveel symptomen aanwezig dienen te zijn, voordat er gesproken kan worden
van een bepaald syndroom of ziektebeeld bij een patiënt.
Een psychose is een mengbeeld (syndroom) van verschillende soorten kenmerken.
, ● Wanen. Wanen zijn sterke en vaak emotioneel geladen overtuigingen die botsen met de
overtuigingen van mensen in de omgeving. Wanen kunnen heel onrealistisch zijn
(bijvoorbeeld het idee achtervolgd te worden door buitenaardse wezens), maar soms is het
moeilijk om een waanidee vast te stellen (bijvoorbeeld de overtuiging de gave te hebben om
aura’s te zien en te kunnen beïnvloeden). In zo’n geval is het belangrijk om bij de omgeving
na te gaan of bepaalde denkbeelden passen bij de culturele en sociale omgeving van iemand.
● Hallucineren. Een hallucinatie is een zintuiglijke waarneming zonder dat er een externe
prikkel is. Iemand kan dingen horen, zien, voelen, proeven en ruiken die voor de omgeving
niet waarneembaar zijn. Stemmen horen is een relatief veel voorkomende hallucinatie, ook
wel auditieve of akoestische hallucinatie genoemd.
● Intrusie. Een intrusie is een niet per se een psychotisch symptoom, heel veel mensen hebben
wel eens een intrusie, maar mensen in een psychose hebben er wel vaak last van. Een intrusie
is een gedachte die zomaar in je hoofd opkomt en best wel bizar kan zijn. De gedachte gaat
vaak over iets wat totaal niet gewenst zou zijn of over iets wat je nooit daadwerkelijk zou
doen.
● Cognitieve problemen. Mensen met psychose ervaren problemen in de
informatieverwerking. Dit kan gaan over het herkennen van de toon van een gesprek (bedoelt
iemand iets grappig of letterlijk), het herkennen van gelaatsuitdrukkingen (kijkt iemand boos
of blij), problemen in het schakelen tussen situaties, problemen in het filteren van informatie
en moeite hebben met dubbele betekenissen.
● Manie en depressie. Psychosegevoeligheid kan hand in hand gaan met manie en depressie.
Bij een manie ben je uitgelaten, hyperactief, niet te stuiten. Bij een depressie juist somber, heb
je nergens interesse meer in.
● Motivatieproblemen. Motivatieproblemen worden ook wel met de term ‘negatieve
symptomen’ aangeduid. Negatieve symptomen worden uitgelegd als: ‘verlies van normale
psychische functies’. Je kunt dit het best begrijpen als een verandering in de motivatie en het
vermogen om dagelijkse dingen te doen.
Een psychose verloopt volgens een aantal fasen, de vroege fase, de overweldigende fase, worstelen
met de psychosegevoeligheid, ermee leren leven en leven voorbij de psychosegevoeligheid.
Vroege fase. In de vroege fase ervaar je klachten die je misschien niet meteen kunt thuisbrengen. Ze
kunnen vanzelf weer weggaan, lang hetzelfde blijven, maar ook verergeren richting een psychose.
Symptomen vroege fase:
● Je trekt je terug uit gezelschap en relaties;
● Je praat in jezelf;
● Je verwaarloost jezelf: je blijft in bed;
● Je hebt rare gedachten;
● Je hebt onlogische gedachten of doet onlogische uitspraken;
● Je bent argwanend en wantrouwend;
● Je hebt het gevoel dat je signalen krijgt via media of mensen;
● Je hebt het gevoel dat je bestuurd wordt;
● Je hebt het gevoel dat er machten of krachten aan het werk zijn;
● Je studie, werk of hobby’s gaan achteruit;
● Je vertoont onlogisch gedrag;
● Je bent sneller geïrriteerd en je wordt boos om onverklaarbare redenen;