GK les 1: Veelvoorkomende problematiek bij ouderen
• Analyseren wat de verschillende oorzaken van duizeligheid en wegrakingen zijn bij een
oudere zorgvrager
• Uitleggen op welke wijze de interactie tussen orgaansystemen en lichaamsfuncties het
ontstaan van geriatrische syndromen beïnvloedt
• In een praktijksituatie of casus herkennen met welke problemen multimorbiditeit gepaard
gaat
Schim van der Loeff - van Veen, R. (2017) Geriatrie. Houten, Nederland: Bohn Stafleu van
Loghum. [via mijnBSL]
- Hoofdstuk 3 Kenmerken van de geriatrische patient, paragraaf 3.1 t/m 3.9
- Hoofdstuk 12 Mobiliteit >>> NB paragrafen over osteoporose behoren NIET tot de verplichte
toetsstof
- Hoofdstuk 17 Vallen
H3 Kenmerken van de geriatrische patiënt
Bij ouderen geldt de volgende regel: “Hoe sneller het hoofdprobleem is gevonden, hoe minder risico
op een neerwaartse spiraal, hoe meer kans op behandeling en behoud van functies.”
Bij ouderen vindt verandering van symptomen voor, dit komt doordat:
- De werking van de hypothalamus is anders ingesteld, hierdoor hebben ouderen bijna geen
last van koorts
- De dorstprikkel van ouderen verandert
- De pijnbeleving van ouderen doet zich ander voor
- De baroreceptorreflex is bij ouderen minder fijngevoelig, hierdoor kan het lichaam minder
effectief reageren met bloeddrukregulatie
Soorten symptoomveranderingen:
- Symptoomverarming: er ontstaan symptomen die niet helemaal bij het ziektebeeld passen.
Voorbeeld is dat een acuut myocardinfarct bij ouderen niet de acute symptomen heeft die
bij jongeren optreden
- Symptoomverschuiving: er ontstaan symptomen van een andere ziekte. Voorbeeld is dat een
langzaam progressief verloop plotseling ernstig kan versnellen dat het levensbedreigend
wordt
- Symptoomomkering: er ontstaat het juist tegenovergestelde symptoom, bijvoorbeeld rust
i.p.v. onrust
- Symptoomvermeerdering: ontstaat door een optelsom van symptomen die voortkomen uit
meerdere chronische ziekten en elkaar versterken
- Symptomen die hetzelfde lijken, maar passen bij verschillende stoornissen
,1: Neerwaartse spiraal bij een geriatrische patiënt 2: Voorbeeld van geriatrisch symptoom: vallen
Afb. 1: Bij ouderen leidt vaak de ene aandoening tot de andere, waardoor een gelaagde ontregeling
kan ontstaan.
Voorbeeld: een delier kan aanleiding geven tot een valincident, waarbij de patiënt een heup kan
breken, hierdoor een aantal dagen bed moet houden, pijn heeft, minder eetlust krijgt, geconstipeerd
raakt, etc.
Afb. 2: Geriatrisch syndroom: een symptoom is het samenkomen van meerdere aandoeningen of
omstandigheden tegelijkertijd.
Voorbeelden van geriatrische symptomen: delier, ondervoeding, dementie, incontinentie, depressie
en duizeligheid.
Problemen op lichamelijk of psychisch gebied kunnen bij ouderen grote invloed hebben op de
activiteiten die iemand onderneemt. Een voorbeeld is dat het verlies van een dierbare zorgt voor
verdriet, gebrek aan eetlust en verminderd initiatief om activiteiten te ondernemen → hierdoor
ontstaat eenzaamheid.
Multimorbiditeit = het voorkomen van twee of meer (chronische) ziekten bij dezelfde persoon, zowel
op somatisch, psychisch als sociaal gebied. Het kan leiden tot een grote verscheidenheid aan
functieproblemen.
Bijvoorbeeld: een patiënt kan te maken krijgen met oogproblemen en perifeer vaatlijden als
gevolg van diabetes mellitus, met conditieverlies als gevolg van immobiliteit bij de ziekte van
Parkinson, met depressie, met chronische pijn en met hartfalen.
‘Treat first what kills first’
Ouderen kunnen de symptomen van een acute ziekte minder goed herkennen, doordat de pijn
warneming veranderd is en de thermoregulatie ook verschilt met vroeger → infectieziekten kunnen
hierdoor langere tijd onopgemerkt en onbehandeld blijven en aanleiding geven tot complicaties
Doordat organen een verandering (onder meer atrofie en verminderde doorbloeding) doormaken
onder invloed van het ouder worden, vermindert de reserve om decompensatie op te vangen. Dit
heeft gevolgen voor het herstel na een ziekte en de manier waarop lever en nieren medicatie en
toxische stoffen kunnen verwerken.
, H12 Mobiliteit
Mobiliteit = het beweeglijk zijn of de mate waarin iets of iemand zich beweegt
In het boek inleiding gerontologie en geriatrie worden de gevolgen van veroudering d.m.v. drie
factoren ingedeeld, namelijk: afgenomen bewegingscapaciteit, verlaagde besturingsvaardigheid en
verminderd bewegingsinitiatief.
Afgenomen bewegingscapaciteit > afgenomen spierkracht en spiertonus, verminderde elasticiteit van
kapsels en ligamenten en gewrichten. Botten worden broos, doordat de weinige belasting zorgt voor
een verminderd herstel van afgebroken botweefsel. Ook neemt spiermassa af, kraakbeen wordt
minder elastisch, of verdwijnt (artrose).
Verlaagde besturingsvaardigheid > het lichaam kan minder snel reageren op prikkels die van buiten-
of van binnenuit worden gezonden, dit komt doordat het zenuwstelsel de prikkels langzamer
verwerkt.
Verminderd bewegingsinitiatief > verminderd enthousiasme om zich te bewegen, kan te maken
hebben met afname van de neurotransmitter dopamine (speelt een rol bij het ervaren van genot,
blijdschap en welzijn) of bewegingsangst kan een rol spelen.
Ook kunnen aandoeningen een rol spelen in de kwaliteit van leven, het kan primair of secundair
ontstaan. Primair = chronische ziekten, zoals reumatische artritis en artrose, secundair = angst om te
vallen of veel minder/niet meer bewegen door pijn.
Orthostatische hypotensie (orthostase)
= een daling van de bloeddruk na houdingsverandering, waarbij duizeligheid kan ontstaan en
hierdoor valrisico
Ongeveer 60% van de ouderen heeft last van orthostase. De bloeddrukdalingen leiden vaak tot
duizeligheid, hierdoor neemt het valrisico toe.
Bloeddrukschommelingen komen vaker voor bij de groep ouderen met geheugen- en
concentratieverlies
Oorzaak: verandering van houding, met name van horizontaal naar verticaal. Er ontstaat een
bloeddrukdaling, waardoor er verlies van evenwichtsgevoel of duizeligheid optreedt > hierdoor
groter valrisico. Bij ziekten waarbij het autonome zenuwstelstel aangetast wordt treedt het sneller
op, zoals bij Parkinson, Lewy-body-NCD of autonome diabetische neuropathie.
Ook kan het een bijwerking zijn van Parkinson medicatie en psychofarmaca (zoals antipsychotica en
tricyclische antidepressiva).
Diagnostiek: kan worden vastgesteld door de bloeddruk liggend te meten en na het opstaan. Er is
sprake van orthostase als na 1 – 3 minuten na houdingsverandering:
- De systolische bloeddruk minstens 20 mmHg EN/OF minstens 10 mmHg diastolisch daalt
- Er duizeligheidsklachten optreden
- Er na de bloeddrukdaling een polsversnelling waarneembaar is
Behandeling: de vullingstoestand, medicatie en zoutinname moeten worden nagekeken. Leefregels
vormen een belangrijk onderdeel van de behandeling. De kans op onzekerheid en vallen zullen
hiermee behoorlijk verminderen. De kans op vallen wordt ook verminderd door het bewust treffen
van preventieve maatregelen:
- Bij het gaan staan
- Na het eten (meer bloed naar de tractus Digestivus)