Toezicht op staatssteun
We gaan het hebben over toezicht op staatssteun. Er wordt wel simpelweg gesproken over het verbod
op staatssteun, maar dat is eigenlijk niet correct want staatssteun is niet verboden. Het is
onverenigbaar met de interne markt, kijk maar naar de formulering van art. 107 lid 1 en vergelijk die
maar met de formulering van art. 101 lid 1 of art. 102 en dan zal je zien dat er geen verbod in staat
maar een onverenigbaarheid en die onverenigbaarheid die kan worden opgeheven of staatssteun kan
wel verenigbaar worden verklaard met de interne markt door de Europese Commissie.
Artikel 107(1) – Het begrip staatssteun
› Staatssteun vooronderstelt
• Steunmaatregel van de staten (overheidsfondsen)
• Die de mededinging vervalst door
• Begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties (selectiviteit)
• Met effect op handel tussen LS
› Ruim begrip van staatssteun, teneinde de Commissie in staat te stellen toezicht uit te kunnen
oefenen
We gaan het vandaag allereerst hebben over het begrip staatssteun. Om staatssteun te hebben moet je
aan deze vier voorwaarden voldoen. Er moet iets van overheidsgeld de mededinging vervalsen en dat
doet hij doordat bepaalde ondernemingen of bepaalde producties worden begunstigd. Dus er moet een
voordeel zijn en dat voordeel moet gelden voor bepaalde ondernemingen. Dat laatste noemen we
selectiviteit. En het moet effect op de handel tussen lidstaten hebben. Bij dat alles moet je in je
achterhoofd houden dat ook dit begrip ruim wordt geïnterpreteerd en dat de Commissie daardoor in
staat is om toezicht uit te kunnen oefenen op al die subsidiemaatregelen die lidstaten hebben en al die
subsidies zijn bijna allemaal mededingingsbeperkend. Want bedenk maar, waarom zou een overheid
staatssteun geven? Een overheid doet dat om daar mooie dingen mee te doen. Dat kunnen dingen zijn
als het bevorderen van milieuvriendelijke productie, dat kunnen dingen zijn als het bevorderen van de
arbeidsintegratie van mensen met een handicap. Maar dat kunnen ook mooie dingen zijn als
bijvoorbeeld ervoor zorgen dat deze onderneming het dit jaar overleeft.
Op het moment dat bijvoorbeeld Nederland zou zeggen: dankzij COVID-19 dreigt de horeca dicht te
gaan. Dan kan het aantrekkelijk zijn dat Nederland er een flinke smak geld tegenaan gooit om de
horeca in leven te houden. Maar we hebben ook gezien hoe Belgen tamelijk massaal naar Zuid-
Nederland kwamen voor de horeca die in België gesloten was. Dat betekent dat Belgische
horecagelegenheden concurreren met Nederlandse horecagelegenheden. Als Nederland er 100 miljoen
tegenaan gooit en België maar 50 miljoen, dan kunnen we allemaal zien wat de effecten zijn. Dat zou
een mededingingsverstoring opleveren die er misschien voor zorgt dat België dan toch maar die 100
miljoen probeert op te hoesten (die ze eigenlijk niet hebben). Als de Belgische economie niet zo goed
draait als de Nederlandse economie en er dus minder geld in de staatskas zit, dan zal dat geld toch
ergens vandaan moeten komen. Dit zou kunnen leiden tot wat we noemen een subsidierace. Een
subsidierace heeft effecten op niet alleen de mededingingspositie van de industrie maar ook op
uiteindelijk de mededingingspositie van de lidstaten. En dit is het perspectief dat ik wil gaan gebruiken
voor de komende colleges over staatssteun. Lidstaten concurreren met elkaar. Ik weet niet hoe jullie
hebben nagedacht over het vak interne marktrecht. Daarachter zit de gedachte dat lidstaten met elkaar
concurreren. Het is aantrekkelijk om bijvoorbeeld je minimumloon zo laag mogelijk vast te stellen, of
zelfs liever geen minimumloon te hebben. Want minimumloon betekent simpelweg dat de industrie in
jouw land meer arbeidskosten heeft. En aangezien meer arbeidskosten zich vertaalt in hogere
productiekosten krijg je vanzelf ook hogere productieprijzen, dus consumentenprijzen. Een lidstaat die
zijn werknemers beschermt met een heel hoog beschermingsniveau die zal daarmee ook zijn industrie
op kosten jagen en daarmee potentieel ook de concurrentiepositie van die industrie aantasten. En ik
weet niet in hoeverre jullie dat in je achterhoofd houden als je bijvoorbeeld luistert naar
nieuwsberichten over het nemen van strengere klimaatmaatregelen. Het eerste wat dan wordt gezegd
is: als wij strengere klimaatregelen gaan nemen dan prijzen wij onze industrie uit de markt en dan
gaan al die mensen gewoon ergens anders hun boodschappen doen. En zeker in een wereldmarkt is dat
min of meer een reëel risico. Dus we gaan in ons achterhoofd rekening houden met de gedachte dat
lidstaten met elkaar concurreren. Lidstaten proberen bijvoorbeeld door een zo’n gunstig mogelijk
belastingregime, zoveel mogelijk ondernemingen naar hun grondgebied toe te halen. En dat soort
concurrentie tussen lidstaten, in hoeverre is dat toegestaan? Dat is een van de dingen die we gaan
gebruiken als we dit college gaan gebruiken.
1
,Bottemline: we hebben een ruim begrip van staatssteun dus we willen dezelfde functionele,
teleologische brede interpretatie met daarop maar een beperkt aantal uitzonderingen. Maar die
uitzonderingen zijn wel relevant want staatssteun kan alleen door de Commissie verenigbaar worden
verklaard met de interne markt. Er zit een heel klein uitzonderingetje op voor de Raad, maar dat is
echt een kleine uitzondering. De belangrijkste regel is: alleen de Europese Commissie kan staatssteun
verenigbaar verklaren met de interne markt.
Dat betekent dat als een lidstaat toch staatssteun wil geven, dat hij echt eerst langs Brussel moet om
dat goedgekeurd te krijgen. Die interventie in de soevereiniteit van de lidstaten heeft ervoor gezorgd
dat lidstaten toch redelijk creatief zijn geweest om te proberen te ontsnappen aan het begrip
staatssteun en daarmee aan het staatssteun toezicht.
Voorbeelden van staatssteun
› Denkavit (ro. 31) en Banco Exterior (ro. 13)
› In ieder geval de klassieke subsidie
• Dus: geld dat wordt overgemaakt naar een specifieke ontvanger
› Maar ook:
• subsidies;
• niet-marktconforme leningen, aankopen, verkopen of kapitaaldeelname;
• belastingvoordelen;
• garanties;
• gunstige voorwaarden bij afname diensten overheid
Je krijgt die brede definitie in Denkavit en in Banco Exterior. In ieder geval dus de klassieke
subsidie. En wat is het wezen van een subsidie? Dat is de overheid die geld overmaakt naar een
specifieke ontvanger. Een subsidie aanvrager moet de subsidie aanvragen. Die krijgt vervolgens dat
overheidsgeld en dat is in ieder geval staatssteun. Maar ook alles wat hetzelfde effect heeft. Dus alles
wat de overheid op de een of andere manier geld kost en leid tot een overdracht van staatsfondsen naar
een specifieke ontvanger is staatssteun. Dan hebben we het natuurlijk over de subsidie, maar ook niet-
marktconforme leningen, aankopen, verkopen of kapitaaldeelname. Op het moment dat bijvoorbeeld
een bedrijf langskomt en zegt: ik ga bijna om maar ik heb een paar aandelen, lieve staat wilt u die van
mij kopen? En geen enkele normale investeerder zou dat doen maar de staat doet het wel, dan is dat
een niet-marktconforme kapitaaldeelname. Op het moment dat de onderneming langskomt en zegt: ik
wil me wel graag vestigen in jouw gemeente. Daarvoor heb ik grond nodig. Als de gemeente dan zegt:
wij willen jou die grond wel verkopen voor een mooi vriendenprijsje, dan kan dat vriendenprijsje
staatssteun zijn, ten belope van het verschillen tussen de marktwaarde van die grond en de
daadwerkelijk betaalde prijs voor die grond.
Je hebt verder belastingvoordelen. Garanties. Het feit dat de overheid zich garant stelt voor een
bepaalde lening. Dat kan staatssteun opleveren want dat zijn allemaal dingen die ervoor zorgen dat de
staat betaalt, hoe indirect dan ook, en dat de ontvangende onderneming er een voordeel van heeft. Het
voordeel van een garantie is dat je gewoon een veel lagere rente betaalt. De Nederlandse overheid is
een van de meest kapitaalkrachtige maar ook een van de meest solvabele partijen die er is. En heeft
daardoor dus een hele goede invloed op jouw credit rating. Jouw lening zal geloofwaardiger worden op
het moment dat de Staat der Nederlanden zegt: stel dat de onderneming de lening niet kan
terugbetalen, dan stellen wij ons garant. Dat betekent dat de bank een lagere rente gaat rekenen.
Lagere rente betekent lagere kapitaalskosten en dat betekent dat jij weer goedkoper kunt produceren.
Dan heb je een mededingingsverstoring.
Begrip ‘Lidstaat’
› Ruim (en functioneel) begrip: bevat alle overheden en alle ‘doorgeefluiken’
• Dus alle entiteiten waarin de overheid zeggenschap heeft (bijv. overheidsbank,
Stardust Marine, r.o. 23 en 34)
• Maar dan moet de steunverlening door die entiteit wel toerekenbaar zijn aan de
overheid (Stardust Marine, r.o. 50 – 58) – Aangetoond moet worden dat de
overheid betrokken was bij de steunverlening
• enkele feit dat overheid een meerderheidsaandeel heeft is niet voldoende
Dan gaan we eens kijken naar hoe dat begrip staatssteun verder in elkaar zit: de details. Het begint met
het begrip lidstaat. Het moet wel gaan om middelen afkomstig van de overheid. Dat is ook weer een
ruim en functioneel begrip. Het omvat alle overheden en alle ‘doorgeefluiken’. Dus of het nou de
2
, gemeente is of een waterschap of de centrale overheid maakt niets uit. Ook een club zoals het
‘samenwerkingsverband Noord-Nederland’ is een doorgeefluik. Een organisatie opgezet namens de
drie noordelijke provincies en die distribueert staatssteun namens die drie noordelijke provincies. Dat
soort doorgeefluiken zijn ook onderdeel van het begrip lidstaat. Dus een hele populaire truc die men in
het begin even geprobeerd heeft, was dat ze niet meer zelf rechtstreeks het geld gingen uitkeren maar
ze creëerden een of andere stichting die namens de overheid geld gaat uitgeven. Die truc is per
definitie gedoemd tot mislukken.
Wat nu als je een staatsbank hebt die allerlei leuke dingen doet? Dat is wat speelde in Stardust
Marine. Het gaat over de pleziervaartindustrie. Schijnbaar is dat (zeker in Frankrijk) een hele
belangrijke industrie. En dus kreeg een Franse pleziervaartwerf een lening van een Franse bank tegen
erg sympathiek rentetarief. Er was wat gebakkelei over of die lening staatssteun was of niet. Er komt
uiteindelijk een arrest over. Er is een pleziervaartwerf die krijgt een lening van Altouce Finance. Dat
was een dochter van Credit Lyonnais. En dat was een 100% staatsbank. Dus de Franse overheid houdt
alle aandelen in Credit Lyonnais. Dus Franse overheid, daaronder Credit Lyonnais en daaronder
Altouce Finance. En Altouce Finance verstrekt een lening tegen niet-marktconforme voorwaarden aan
een pleziervaartwerf. Is het dan staatssteun? Dan zal je uiteindelijk moeten bewijzen dat die lening ook
toegerekend kan worden aan de Franse overheid. Dat is de les die we krijgen uit Stardust Marine:
toerekenbaarheid. Dat criterium was tot die tijd niet heel expliciet maar nu dus wel knalhard in de
jurisprudentie opgenomen.
Kun je dan zeggen: het feit dat de Franse overheid 100% aandeelhouder is in Credit Lyonnais en
daarmee indirect 100% aandeelhouder in Altouce Finance, maakt dat dat we die beslissing om die
lening te verstrekken kunnen toerekenen aan de Franse overheid? Nee, zegt het hof. Dat is te kort door
de bocht. Het enkele feit dat er die zeggenschap is, is niet voldoende. Je moet aantonen dat de overheid
betrokken was bij de steunverlening. Waar moet je dan aan denken? Bijvoorbeeld een algemene
instructie van de Minister van Financiën die daar zit namens de Franse overheid in die Raad van
Bestuur van Credit Lyonnais, die dan zeggen: vanaf nu gaan we alle Franse scheepswerven een lening
verstrekken tegen extra sympathieke tarieven. Dat soort instructies moeten er zijn. Er moet iets van
een paper trail zijn waarbij je kunt aantonen dat deze bank handelde als een verlengstuk van de Franse
overheid en niet zoals een bank die zegt: wij denken dat we in de scheepvaart goed geld kunnen
verdienen dus we gaan nu als een dolle geld verstrekken aan scheepsbouwers. Je moet kunnen
aantonen dat er iets van een instructie is van de overheid om vanaf nu het beleid te wijzigen en
inderdaad leningen te gaan verstrekken aan scheepsbouwers.
Begrip ‘staatsmiddelen’
› Bekostiging, al dan niet rechtstreeks, door middel van staatsmiddelen.
› Alle middelen onder de controle van de overheid (belastingen; ook verschuldigde, maar niet
geïnde belastingen, Stardust Marine, r.o. 24)
› De maatregel moet de overheid dus geld kosten (een bestemmingsplanwijziging ten behoeve
van Real Madrid kost de overheid niets)
› Maar een toezegging (France Telecom) wel
Het moet ook gaan om staatsmiddelen. Dat is wel interessant, want staatsmiddelen is eigenlijk best
wel een vloeibaar begrip. Want in principe is alles in de Nederlandse economie van de staat. De staat
kan morgen besluiten om bedrijven te onteigenen en alle middelen van de staat te maken. De staat kan
morgen besluiten om te zeggen: alle vermogens die jullie hebben wordt nu belast en is onderdeel van
de staat. Dat is nou eenmaal de macht die de staat heeft. Natuurlijk kunnen we het aanvechten, art. 1
eerste protocol EVRM, maar als puntje bij paaltje komt is alles in de economie van een lidstaat van de
staat. Dus hoe ruim moet je nou dat begrip staatssteun interpreteren?
Dat haakt aan bij dat vereiste/bestanddeel dat er sprake moet zijn van bekostiging, al dan niet
rechtstreeks, door middel van staatsmiddelen. Dat omvat dus alle middelen onder controle van de
overheid, bijvoorbeeld belastingen. Want daarvan kan de overheid zeggen: jij bent belastingplichtig en
moet een bepaald percentage afdragen. Op het moment dat de overheid dan zegt: normaal moet je 10%
van je winst afdragen als winstbelasting in Nederland, maar omdat jij in een speciale sector zit is dat
nu maar 5%, dan is dat op dat moment al een overdracht van staatsmiddelen. Want de overheid had
immers controle over die fondsen en zei: normaal is het 10%, maar door het aanpassen/kwijtschelden
mist de overheid fondsen die zij wel onder haar controle had/waarover zij zeggenschap had.
3