Stof college 2 t/m 7
AUTISME..................................................................................................................................... 1
AUTISME..................................................................................................................................... 1
TICSTOORNISSEN..................................................................................................................... 9
TICSTOORNISSEN..................................................................................................................... 9
GEDRAGSSTOORNISSEN.......................................................................................................10
GEDRAGSSTOORNISSEN.......................................................................................................10
SOMATISCHE SYMPTOOMSTOORNISSEN............................................................................12
SOMATISCHE SYMPTOOMSTOORNISSEN............................................................................12
TRAUMA.................................................................................................................................... 21
TRAUMA.................................................................................................................................... 21
DISSOCIATIE EN SCHIZOFRENIE...........................................................................................24
DISSOCIATIE EN SCHIZOFRENIE...........................................................................................24
ANGSTSTOORNISSEN............................................................................................................ 26
ANGSTSTOORNISSEN............................................................................................................ 26
OBSESSIEF COMPULSIEVE STOORNISSEN.........................................................................27
OBSESSIEF COMPULSIEVE STOORNISSEN.........................................................................27
EETSTOORNISSEN.................................................................................................................. 28
EETSTOORNISSEN.................................................................................................................. 28
DEPRESSIE.............................................................................................................................. 32
DEPRESSIE.............................................................................................................................. 32
BIPOLAIRE STOORNISSEN.....................................................................................................41
BIPOLAIRE STOORNISSEN.....................................................................................................41
BIJLAGE: OVERZICHT DIAGNOSTISCHE MODELLEN...........................................................48
BIJLAGE: OVERZICHT DIAGNOSTISCHE MODELLEN...........................................................48
, AUTISME
Autismespectrumstoornis (ASS): verzamelnaam voor gedragskenmerken gerelateerd aan
sociaal-communicatieve vaardigheden, zintuiglijke prikkelverwerking, filteren en integreren van
informatie, de manier van denken en flexibiliteit van gedrag.
● Definitie zorgstandaard Autisme: complex samenspel tussen drie lagen:
○ Biologisch (moleculair- of celniveau)
○ Psychologisch (cognities, emoties en gedrag)
○ Sociaal (omgeving en maatschappij).
● Variatie in de kern- en ontwikkelingsdimensies van autisme, in comorbiditeit met
aandachts- en angstproblemen en op cognitief gebied, zorgen ervoor dat de groep
kinderen met autisme heterogeen is.
○ Door de grote variatie is gedifferentieerd zorgaanbod nodig.
● Autisme wordt in de DSM-5 gezien als één spectrum (dimensionele benadering), in
plaats van categorieën zoals in de DSM-IV. Dit zorgt voor een betrouwbaardere
classificatie.
● Diagnose vereist tekortkomingen in twee domeinen:
○ Sociale communicatie en interactie.
○ Beperkt en repetitief gedrag (incl. hypo- of hyperreactiviteit op sensorische
stimuli).
● Ernstniveaus: bepalen de ondersteuningsbehoefte, maar cognitief functioneren wordt
vaak ook meegenomen, terwijl emotionele problemen weinig worden gewogen.
● Zorgen rondom overgang DSM-IV-TR naar DSM-5: kinderen met PDD-NOS of Asperger
(vooral met hoog cognitief niveau) vallen vaker buiten de nieuwe criteria.
○ Gevolgen
■ 20% van kinderen met Asperger en 75% met PDD-NOS verliezen hun
ASS-diagnose.
1
, ■ Risico op uitsluiting van klinische hulp en onderwijsbegeleiding.
● Kernprobleme
n binnen autisme
○ Sociale
communicatie en interactie
■ Taalontwikkeling:
● Laag IQ: vertraagde spraak, sommigen leren nooit spreken.
● Hoog IQ: taal aanwezig maar vaak laat op gang.
■ Kwaliteit van communicatie:
● Problemen met non-verbale signalen (lichaamstaal, gebaren).
● Minder sociale interactie en moeite met relaties.
● Verminderde sociale en emotionele wederkerigheid (interactie
voelt als eenrichtingsverkeer).
● Moeite met afstemming op de sociale context.
○ Beperkt en repetitief gedrag
■ Stereotypieën: bewegingen (bijv. fladderen, springen, echolalie) en
rituelen.
■ Beperkte interesses: eenzijdige fascinaties, gehecht aan routines.
■ Sensorische problemen: hyper- of hypogevoelig voor prikkels, soms eet-
en kleedproblemen.
○ Verminderd voorstellingsvermogen
■ Minder focus op betekenis, meer op uiterlijke details.
■ Leidt tot:
● Rigide gedrag en moeite met nieuwe situaties.
● Problemen met fantasiespel en generalisatie van vaardigheden.
○ Problemen met motorische ontwikkeling bij 62% van kinderen met autisme:
■ 62%: onhandige, trage of houterige motoriek.
2
, ■ 50%: problemen met slapen of eten.
○ Gedragsproblemen:
■ Woede-uitbarstingen en agressie: vooral bij veel repetitief gedrag, vaak
door frustratie.
■ Zindelijkheidsproblemen: gangbare technieken zijn vaak onvoldoende.
● Oorzaken: angst, controle, negatieve ervaringen, routines of
sensorische integratieproblemen.
● Prevalentie
○ Aantal classificaties stijgt door:
■ Verbeterde diagnostiek en onderkenning (bijv. meisjes en hoger
functionerende kinderen).
■ Grotere bekendheid van autisme.
■ Maatschappelijke druk op zelfsturing en sociale vaardigheden.
■ Verruiming van criteria in DSM-IV-TR (DSM-5 toont juist afname door
strengere criteria).
○ Gender-verschillen meisjes vs. jongens
■ Meisjes krijgen minder vaak een diagnose, zelfs bij gelijke symptomen.
■ Redenen:
● Meisjes compenseren beter voor sociale en communicatieve
beperkingen.
● Diagnostische instrumenten zijn gericht op mannelijke kenmerken.
■ Kenmerken bij meisjes:
● Subtielere sociale- en communicatieve problemen.
● Vaak 1-2 vrienden en meer fantasiespel.
● Gebruik van emotionele taal en interesses met sociale inhoud.
● Minder repetitief gedrag.
■ Gevolg: Meisjes worden later gediagnosticeerd en ervaren vertraging
tussen aanmelding en diagnose.
● Etniciteit
○ Ondervertegenwoordiging: Marokkaanse en Turkse kinderen worden minder
vaak doorverwezen naar ggz-instellingen voor autisme.
○ Jeugdartsen signaleren autisme minder bij niet-westerse allochtone kinderen.
○ Oplossing: gebruik expliciete screeningslijsten (bijv. ESAT, SRS) om ASS-
symptomen en gedragingen beter te rapporteren en scoren.
● Etiologie
○ Neurobiologische ontwikkelingsstoornis door genetische en omgevingsinvloeden.
■ Genetisch:
● Theory of Mind-problemen en sensorische prikkelverwerking.
● 19% van de broertjes en zusjes krijgt ook autisme.
■ Omgevingsinvloeden (tijdens zwangerschap, rond/na geboorte):
● Obesitas, hoge bloeddruk, diabetes, hoog BMI, immunologische
factoren, allergieën/astma.
● Vaccinaties zijn geen oorzaak!
3