WEEK 3 BEVOEGDHEDEN IN HET KADER VAN DE OPSPORING /
VERVOLGING
Inleiding
In week 2 zagen we dat in het voorbereidend onderzoek gebruik wordt gemaakt van
allerhande opsporingsmethoden en opsporingsbevoegdheden. De in deze week te
bespreken dwangmiddelen en bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden
omschreven als die bevoegdheden die ook tegen de wil of buiten medeweten van een burger
kunnen worden ingezet. Zij maken inbreuk op de rechten en vrijheden van burgers en
hebben dan ook een uitgebreide wettelijke regeling gekregen in met name het Wetboek van
Strafvordering, maar ook in bijzondere wetten zoals de Opiumwet en de Wet wapens en
munitie.
In het kader van de opsporing is het soms noodzakelijk dat inbreuk wordt gemaakt op onder
meer in de Grondwet verankerde rechten van de burgers. Zo kan een burger van zijn vrijheid
worden beroofd als hij verdacht wordt van het plegen van een ernstig strafbaar feit. Ook kan
het zijn dat een burger moet dulden dat hij wordt gefouilleerd, zijn woning wordt doorzocht of
dat aan hem toebehorende spullen in beslag worden genomen. Wordt de telefoon van een
burger afgetapt of wordt iemand door de politie voortdurend in de gaten gehouden
(stelselmatige observatie), dan is sprake van een forse inbreuk op de privacy. De inbreuk op
deze rechten van de burger wordt mogelijk gemaakt door een samenstel van wettelijke
bepalingen. De grondwet biedt ruimte om bij formele wet inbreuk te maken op de
grondrechten. Zo stelt bijvoorbeeld artikel 11 van de Grondwet: “Ieder heeft, behoudens bij
de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam”. De in dit artikel
genoemde beperkingen zijn onder andere terug te vinden in het Wetboek van Strafvordering.
Zo is onder omstandigheden “onderzoek aan het lichaam” geoorloofd.
In week 1 en 2 zagen we al dat het in artikel 1 Sv neergelegde legaliteitsbeginsel ook geldt
voor de opsporing. Het strafprocesrecht verleent bevoegdheden en maakt zo inbreuken op
vrijheidsrechten mogelijk, maar normeert ze ook. In de artikelen waarin de afzonderlijke
bevoegdheden zijn neergelegd worden de voorwaarden waaronder een bevoegdheid mag
worden gehanteerd dan ook nauwkeurig beschreven. Hoe ingrijpender de bevoegdheid, hoe
strenger de vereisten alvorens de bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
Deze week bespreken we de verschillende opsporingsbevoegdheden en de voorwaarden
waaronder zij toegepast mogen worden. We kunnen daarbij onderscheid maken tussen de
traditionele dwangmiddelen en de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Waar de traditionele
dwangmiddelen zoals vrijheidsbeneming, huiszoeking maar ook DNA-onderzoek alleen
kunnen worden ingezet ten behoeve van de opsporing naar aanleiding van een redelijk
vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, kunnen de bijzondere opsporingsbevoegdheden
ook worden aangewend ten behoeve van de vroegsporing; in de woorden van Mevis: in het
tweede en het derde opsporingsdomein.
Worden dwangmiddelen onrechtmatig, in strijd met de wet of met algemene
rechtsbeginselen, toegepast dan kan dat consequenties hebben in volgende fasen van het
strafproces. In dit verband is artikel 359a Sv van groot belang. Denk ook aan het in week 1
behandelde algemene normatieve kader voor de opsporing.
Literatuur
Capita Strafrecht, P.A.M. Mevis:
- Hoofdstuk 7, paragraaf VI.4.3 – VI.6.3 (pag. 284 – 302);
- Hoofdstuk 8, paragraaf IV – VII en X.1 – X.2 (pag. 332 – 358 en 379 – 383)
, Leerdoelen
Na bestudering van dit onderwerp kan de student:
de verhouding toelichten tussen grondrechten – neergelegd in de Grondwet en
mensenrechtenverdragen – en de bevoegdheden tot opsporing voor zover die inbreuk
maken op deze rechten;
aan de hand van een casus de verschillende traditionele dwangmiddelen uit het Wetboek
van Strafvordering en bijzondere wetten toepassen en de rechtmatigheid van die
toepassing beoordelen;
aan de hand van een eenvoudige casus de bijzondere opsporingsbevoegdheden in het
eerste domein toepassen en de rechtmatigheid van die toepassing beoordelen;
de gevolgen van onrechtmatige opsporing toelichten (waarover meer in week 6/7).
Opdrachten
Opdracht 1 Marieke huilt
Jij hebt inmiddels blok K2 met een goed resultaat afgesloten. Een 18-jarige
eerstejaarsstudente, Marieke, komt in tranen naar je toe. Haar tweelingbroer zit vast op het
bureau. Ze vertelt je dat hij bij een maat achterop diens scooter zat en al rijdende een vrouw
de tas van de schouders heeft getrokken. De buit – mobiele telefoon en portemonnee met
geld, creditcards en andere pasjes – hebben ze verdeeld.
Marieke vertelt dat haar broer twee dagen geleden op school door de politie uit een volle klas
is gehaald en naar het bureau is gebracht. Zijn maat – gepakt op het kenteken van zijn
scooter = had hem verlinkt als degene die de tas heeft geroofd. Eenmaal op het bureau heeft
haar broer toegegeven wat hij heeft gedaan. Hij heeft de politie verteld dat hij de gestolen
spullen in een kist onder zijn bed bewaart.
De politie is vervolgens naar hun huis gegaan om die kist op te halen en heeft haar moeder
een door de hulpofficier van justitie ondertekend stuk laten zien waaruit blijkt dat ze naar
binnen mochten. Marieke beweert dat de politie niet alleen die kist onder het bed heeft
meegenomen, maar ook in de kledingkast en het nachtkastje van haar broer heeft gekeken.
In zijn nachtkastje hebben ze de gestolen creditcards gevonden.
Haar broer zit nu al twee dagen vast op het bureau. De politie zegt dat ze nog onderzoek
moeten doen.
Aanhouding buiten heterdaad, 54 Sv. (als ze op het TENTAMEN vragen of een
dwangmiddel rechtmatig is toegepast, ga dan altijd die vier stappen doorlopen).
1. Door wie? de OvJ, in deze casus doet de opsporingsambtenaar dit. De
hulpOvJ mag het doen als het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht.
Als het optreden van de hulpOvJ niet kan worden afgewacht dan mag de
opsporingsambtenaar aanhouden. In deze casus is het niet heel dringend en
kan het wel worden afgewacht. Maar de OvJ kan het ook aan iemand bevelen
(zoals een opsporingsambtenaar) de persoon mag aanhouden.
2. Tegen wie kan dit dwangmiddel worden gebruikt verdachte, (in de zin van 27
lid 1 Sv, je mag op het TENTAMEN gewoon zeggen dat er een persoon
verdachte heeft aangewezen dus dat hij daardoor verdachte is). (er moet een
redelijk vermoeden van schuld zijn door omstandigheden en feiten, in deze
casus kunnen we daarvan uit gaan.).
3. In welke gevallen kan je buiten heterdaad aangehouden worden strafbaar feit
waar voorlopige hechtenis op staat. In 67 lid 1 sub a Sv staat dat er vier jaar
straf op moet staan. in de casus zal het grof gezegd diefstal in vereniging staat
6 jaar op dus voldaan aan de voorlopige hechtenis.
4. Doel (moet in de wet staan), geleiden naar plaats van verhoor, 54 lid 1 Sv.
VERVOLGING
Inleiding
In week 2 zagen we dat in het voorbereidend onderzoek gebruik wordt gemaakt van
allerhande opsporingsmethoden en opsporingsbevoegdheden. De in deze week te
bespreken dwangmiddelen en bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden
omschreven als die bevoegdheden die ook tegen de wil of buiten medeweten van een burger
kunnen worden ingezet. Zij maken inbreuk op de rechten en vrijheden van burgers en
hebben dan ook een uitgebreide wettelijke regeling gekregen in met name het Wetboek van
Strafvordering, maar ook in bijzondere wetten zoals de Opiumwet en de Wet wapens en
munitie.
In het kader van de opsporing is het soms noodzakelijk dat inbreuk wordt gemaakt op onder
meer in de Grondwet verankerde rechten van de burgers. Zo kan een burger van zijn vrijheid
worden beroofd als hij verdacht wordt van het plegen van een ernstig strafbaar feit. Ook kan
het zijn dat een burger moet dulden dat hij wordt gefouilleerd, zijn woning wordt doorzocht of
dat aan hem toebehorende spullen in beslag worden genomen. Wordt de telefoon van een
burger afgetapt of wordt iemand door de politie voortdurend in de gaten gehouden
(stelselmatige observatie), dan is sprake van een forse inbreuk op de privacy. De inbreuk op
deze rechten van de burger wordt mogelijk gemaakt door een samenstel van wettelijke
bepalingen. De grondwet biedt ruimte om bij formele wet inbreuk te maken op de
grondrechten. Zo stelt bijvoorbeeld artikel 11 van de Grondwet: “Ieder heeft, behoudens bij
de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam”. De in dit artikel
genoemde beperkingen zijn onder andere terug te vinden in het Wetboek van Strafvordering.
Zo is onder omstandigheden “onderzoek aan het lichaam” geoorloofd.
In week 1 en 2 zagen we al dat het in artikel 1 Sv neergelegde legaliteitsbeginsel ook geldt
voor de opsporing. Het strafprocesrecht verleent bevoegdheden en maakt zo inbreuken op
vrijheidsrechten mogelijk, maar normeert ze ook. In de artikelen waarin de afzonderlijke
bevoegdheden zijn neergelegd worden de voorwaarden waaronder een bevoegdheid mag
worden gehanteerd dan ook nauwkeurig beschreven. Hoe ingrijpender de bevoegdheid, hoe
strenger de vereisten alvorens de bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
Deze week bespreken we de verschillende opsporingsbevoegdheden en de voorwaarden
waaronder zij toegepast mogen worden. We kunnen daarbij onderscheid maken tussen de
traditionele dwangmiddelen en de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Waar de traditionele
dwangmiddelen zoals vrijheidsbeneming, huiszoeking maar ook DNA-onderzoek alleen
kunnen worden ingezet ten behoeve van de opsporing naar aanleiding van een redelijk
vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, kunnen de bijzondere opsporingsbevoegdheden
ook worden aangewend ten behoeve van de vroegsporing; in de woorden van Mevis: in het
tweede en het derde opsporingsdomein.
Worden dwangmiddelen onrechtmatig, in strijd met de wet of met algemene
rechtsbeginselen, toegepast dan kan dat consequenties hebben in volgende fasen van het
strafproces. In dit verband is artikel 359a Sv van groot belang. Denk ook aan het in week 1
behandelde algemene normatieve kader voor de opsporing.
Literatuur
Capita Strafrecht, P.A.M. Mevis:
- Hoofdstuk 7, paragraaf VI.4.3 – VI.6.3 (pag. 284 – 302);
- Hoofdstuk 8, paragraaf IV – VII en X.1 – X.2 (pag. 332 – 358 en 379 – 383)
, Leerdoelen
Na bestudering van dit onderwerp kan de student:
de verhouding toelichten tussen grondrechten – neergelegd in de Grondwet en
mensenrechtenverdragen – en de bevoegdheden tot opsporing voor zover die inbreuk
maken op deze rechten;
aan de hand van een casus de verschillende traditionele dwangmiddelen uit het Wetboek
van Strafvordering en bijzondere wetten toepassen en de rechtmatigheid van die
toepassing beoordelen;
aan de hand van een eenvoudige casus de bijzondere opsporingsbevoegdheden in het
eerste domein toepassen en de rechtmatigheid van die toepassing beoordelen;
de gevolgen van onrechtmatige opsporing toelichten (waarover meer in week 6/7).
Opdrachten
Opdracht 1 Marieke huilt
Jij hebt inmiddels blok K2 met een goed resultaat afgesloten. Een 18-jarige
eerstejaarsstudente, Marieke, komt in tranen naar je toe. Haar tweelingbroer zit vast op het
bureau. Ze vertelt je dat hij bij een maat achterop diens scooter zat en al rijdende een vrouw
de tas van de schouders heeft getrokken. De buit – mobiele telefoon en portemonnee met
geld, creditcards en andere pasjes – hebben ze verdeeld.
Marieke vertelt dat haar broer twee dagen geleden op school door de politie uit een volle klas
is gehaald en naar het bureau is gebracht. Zijn maat – gepakt op het kenteken van zijn
scooter = had hem verlinkt als degene die de tas heeft geroofd. Eenmaal op het bureau heeft
haar broer toegegeven wat hij heeft gedaan. Hij heeft de politie verteld dat hij de gestolen
spullen in een kist onder zijn bed bewaart.
De politie is vervolgens naar hun huis gegaan om die kist op te halen en heeft haar moeder
een door de hulpofficier van justitie ondertekend stuk laten zien waaruit blijkt dat ze naar
binnen mochten. Marieke beweert dat de politie niet alleen die kist onder het bed heeft
meegenomen, maar ook in de kledingkast en het nachtkastje van haar broer heeft gekeken.
In zijn nachtkastje hebben ze de gestolen creditcards gevonden.
Haar broer zit nu al twee dagen vast op het bureau. De politie zegt dat ze nog onderzoek
moeten doen.
Aanhouding buiten heterdaad, 54 Sv. (als ze op het TENTAMEN vragen of een
dwangmiddel rechtmatig is toegepast, ga dan altijd die vier stappen doorlopen).
1. Door wie? de OvJ, in deze casus doet de opsporingsambtenaar dit. De
hulpOvJ mag het doen als het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht.
Als het optreden van de hulpOvJ niet kan worden afgewacht dan mag de
opsporingsambtenaar aanhouden. In deze casus is het niet heel dringend en
kan het wel worden afgewacht. Maar de OvJ kan het ook aan iemand bevelen
(zoals een opsporingsambtenaar) de persoon mag aanhouden.
2. Tegen wie kan dit dwangmiddel worden gebruikt verdachte, (in de zin van 27
lid 1 Sv, je mag op het TENTAMEN gewoon zeggen dat er een persoon
verdachte heeft aangewezen dus dat hij daardoor verdachte is). (er moet een
redelijk vermoeden van schuld zijn door omstandigheden en feiten, in deze
casus kunnen we daarvan uit gaan.).
3. In welke gevallen kan je buiten heterdaad aangehouden worden strafbaar feit
waar voorlopige hechtenis op staat. In 67 lid 1 sub a Sv staat dat er vier jaar
straf op moet staan. in de casus zal het grof gezegd diefstal in vereniging staat
6 jaar op dus voldaan aan de voorlopige hechtenis.
4. Doel (moet in de wet staan), geleiden naar plaats van verhoor, 54 lid 1 Sv.