Bloedwaarden
BIAZ
Minor Acute Zorg Hogeschool Rotterdam
Inhoud
Proactive Nursing Zorgthema 10 Bloedwaarden BIAZ............................................................................1
Bloedwaarden........................................................................................................................................2
Definitie en functie:............................................................................................................................2
Verbanden..........................................................................................................................................3
Klinische aandachtspunten, belangrijk op te weten...............................................................................3
1. Zuur-base-evenwicht......................................................................................................................3
Zuurproductie.....................................................................................................................................3
Acidose PH <7,35................................................................................................................................3
Alkalose PH > 7,45..............................................................................................................................4
Bicarbonaat buffering.........................................................................................................................4
Uitscheiding........................................................................................................................................4
Functiestoornissen met betrekking op het zuur-base-evenwicht.......................................................4
2. Zuurstoftransport...........................................................................................................................5
Zuurstofspanningcascade...............................................................................................................6
HbSO2..................................................................................................................................................6
Bewakingsmogelijkheden/observaties voor het zuurstoftransport....................................................8
Stolling....................................................................................................................................................8
Primaire hemostase............................................................................................................................8
Vasoconstrictie...............................................................................................................................9
Adhesie en trombocytenaggregatie................................................................................................9
Secundaire hemostase....................................................................................................................9
Vitamine K-afhankelijk factoren.....................................................................................................9
Natuurlijke antistolling...................................................................................................................9
Stolling zonder bloeding (trombose)............................................................................................10
Fibrinolytisch systeem..................................................................................................................10
functiestoornissen met betrekking op stolling.................................................................................10
Situaties met verhoogde stollingsneiging/trombosevorming.......................................................10
Bewakingsmogelijkheden/observaties voor stolling.....................................................................11
4. Klinische chemie...............................................................................................................................11
, Elektrolyten..................................................................................................................................11
Glucose C6H12O6.........................................................................................................................12
Insuline.........................................................................................................................................12
Glucagon.......................................................................................................................................12
Diabetes mellitus..........................................................................................................................12
Stresshyperglycemie.....................................................................................................................13
Enzymen...........................................................................................................................................13
Bloedgasanalyse...............................................................................................................................14
2C Observeren arteriële bloedgassen...................................................................................................14
3 Situaties met ernstige functiestoornissen.........................................................................................16
Stollingsstoornissen......................................................................................................................17
Bloedwaarden
Definitie en functie:
- bloed is vloeibaar orgaan dat overal in lichaam komt
- functie: transporteren O2, voedingsstoffen, hormonen, warmte etc.
- hoeveelheid afhankelijk van vulling cardiovasculair systeem
- stollingsysteem: reparteert eventuele defecten in vaatwand
- samenstelling van bloed vooral van belang voor diverse transportfuncties
Hoofdfuncties:
- handhaven van een zuurgraad waarin cellen optimaal functioneren
- zuurstof transporteren van longen naar overige weefsel
- verlies van bloed bij vaatschade beperken door hemostase/stolling
- elektrolyten, bouw- en brandstoffen aanvoeren en afvalstoffen afvoeren
Bloedvolume bedraagt 7-9% van lichaamsgewicht (5-6L volwassene)
- bestaat uit twee ongeveer even grote fracties: vloeibare component (plasma) en fractie uit celln
- percentage van totale bloedvolume door bloedcellen ingenomen = Ht (hematovriet)
(normaal 40-45% cellen 55-60% plasma)
, 1. Zuur-base-evenwicht:
Zuurproductie, bicarbonaat buffering, uitscheiding
2. Zuurstoftransport:
Zuurstofspanning, hemoglobine, HbSO2
3. Stolling:
Primaire hemostase, secundaire hemostase, fibrinolytisch systeem
4. Klinische chemie:
Elektrolyten, glucose, enzymen, bloedgasanalyse
Verbanden
- Ademhaling: longen zorgen voor zuurstofaanbod en afvoer kooldioxide
- Circulatie: bloed is vloeibare vulling van cardiovasculair systeem -> totale volume verdeeld over
diverse compartimenten -> naar behoefte rondgepompt
- Urogenitaal stelstel: bloed bestaat uit cellen en water -> hoeveelheid water en concentraties van
ionen -> gereguleerd urogenitaal stelstel
- Huid en afweersysteem: bloed heeft zeer belangrijke rol in cellulaire en humorale afweer
- Hormonale stelsel: hormonen zijn eiwitten -> werking orgaan beïnvloeden -> bloed transporteert
hormonen van hormoonproducerende organen naar doelorganen
- Alle orgaansystemen: aangesloten op circulatie en continue doorbloed voor aanvoer van water,
elektrolyten, voedingsstoffen en voor de afvoer van kooldioxide, zuur etc.
Klinische aandachtspunten, belangrijk op te weten
1. Zuur-base-evenwicht
- lichaam produceert continue zure (afval)stoffen -> maagzuur, kooldioxide, vetzuren, waterstof en
melkzuur -> invloed op zuurgraad (niet te hoog/te laag)
- geproduceerde zuren worden in bloed tijdelijk gevonden aan bufferende stoffen (long en nieren
zuur uitscheiden)
- Functie: een evenwicht tussen de hoeveelheid zuren en basen in het bloed is nodig om alelrlei
processen optimaal te laten verlopen
- afhankelijk van nier- en longfunctie voor het zuur binnen grenzen te houden
Zuurproductie
- zuurgraad/PH (potentiaal hydrogenium): geeft waterstofionenconcentraat weer
Hoe meer zuur, hoe lager de zuurgraad 1 (heel zuur) – 14 (heel weinig zuur)
- Basen: stoffen die zuren kunnen neutraliseren door zich aan te binden
- vloeistof waarbij zuur-basegehalte in balans zijn heeft PH 7 (bloed 7,35-7,45 = licht alkalisch)
PH 14 = 0,000000000001 mol/L (kleine aantal H+ dus hoge PH)
PH 1 = 0,1 mol/L (groter aantal H+ dus lage PH)
Acidose PH <7,35
- zuurproductie van metabolisme = continue maar niet constant
- grote spieractiviteit en koorts: produceren meer CO2 -> kan O2 gebrek -> anaerobe verbranding ->
melkzuur
- kilo’s vetafbraak: verzuurt metabolisme door overproductie zuren: ketoacidose
- overmatig diarree -> pancreas in darm bicarbonaat uitscheiden