Late foetale ontwikkeling en de geboorte
Dentale ontwikkeling begint in de laatste drie maanden van de zwangerschap (tabel 3-1), ook het lichaamsgewicht wordt tijdens
deze periode 3x verdubbeld van 1000g naar 3000g.
Bij de geboorte wordt het hoofd (dat 1/2e lichaamsgewicht bevat) smaller + langer makkelijk door geboortekanaal.
o Dit is mogelijk door de niet-gecalcificeerde fontanellen tussen de platte botten van de hersenkas (calvarium).
Het gebrek aan groei van de OK prenataal kleine onderkaak maakt het gemakkelijker om het hoofd door het geboortekanaal te
leiden.
o Postnataal groeit de onderkaak het meest ivm andere faciale structuren om groei in te halen.
Na de geboorte fysiologische adaptaties nodig. Voor korte periode kleine vermindering in lichaamsgewicht tijdens de eerste 7-10
dagen.
o Deze interruptie van groei zorgt voor een fysiologisch effect in skeletale weefsel dat midden in vormingsproces zit; de
calcificatie wordt onderbroken merkbare lijnen langs beide botten + tanden die op dat moment gevormd worden.
o Botten: lijnen door de groei interruptie remodeled.
o Tanden: lijnen te zien in glazuur; niet remodeled. Waar deze lijn ligt is afhankelijk van het stadium waarin de betreffende
tand zich bevond (fig. 3-2)
Microscopisch is de lijn zien op de elementen op het moment dat het individu geboren was.
Niet alleen de geboorte heeft dit effect, ook groeistoornissen/ziekten tijdens kleuter- en vroege kindertijd die
langer dan 1 a 2 weken duren zullen dit fenomeen geven.
, Kleuter- en vroege kindertijd: de primaire dentitie
Het algemene patroon van fysieke ontwikkeling na geboorte is doorlopend op het patroon in de late foetale periode: snelle groei
gaat verder, met een relatief stabiele verhoging in lengte en gewicht. De snelheid van groei vermindert wel (3-3).
De volgende 3 omstandigheden hebben speciale aandacht nodig:
1. Premature kinderen (< 2500 g)
a. Verhoogde kans op problemen in de directe postnatale periode.
b. <1500g overleven het vaak niet.
c. Bij overleving van neonatale periode groei zijn normale patroon gaan volgen en over deze initiële handicap heen
komen.
d. Zijn wel klein tijdens 1e en 2e levensjaar.
2. Chronische aandoeningen
a. Groei; heeft energie nodig.
b. Dit zal meer energie kosten waardoor er minder energie overblijft om te groeien.
c. Normaal: 90% van energie overleving en activiteit, 10% groei.
d. Chronisch zieke kinderen: groei deficiëntie is cumulatief.
e. Tijdelijke ziekte: groei interruptie, maar geen effecten op de lange termijn.
f. Hormoondeficiënties (opgeheven bij toediening hormoon), hartziekte, psychologische en emotionele stress ook
invloed op groei op dezelfde manier als chronische aandoeningen.
3. Nutritionele status
a. Chronische niet adequate voedsel inname heeft dezelfde effecten als een chronische aandoening.
b. In de twintigste eeuw is men gemiddeld steeds langer geworden, en ook de leeftijd van 1 e menarche is verlaagd met 1
jaar, dit heeft alles te maken met voedsel en de blootstelling aan schadelijke stoffen (met oestrogene effecten).