OEFENVRAGEN
LEERJAAR 1, KWARTIEL 3 (2019-2020)
BOEK: BIOLOGICAL PSYCHOLOGY, 13 E EDITIE
HOOFDSTUK: INTRODUCTIE T/M H6
(OEFENVRAGEN UIT DE HOORCOLLEGES)
BEVAT 25 VRAGEN
INHOUD
Table of Contents
Vragen:............................................................................................................................... 2
Antwoorden:....................................................................................................................... 6
, VRAGEN:
1. Bij het werken aan Einsteins natuurkundige theorieën werden in zijn hersencellen
prikkels doorgegeven. Dit gebeurt altijd op dezelfde manier, bij alles wat je doet.
Binnen en buiten de celwand van een neuron is er sprake van een elektrische
lading. Neuronen geven prikkels door als er verandering optreedt in deze
elektrische ladingen. Het neuron ‘vuurt’ dan een prikkel. Wat is de goede
volgorde van de fases die optreden bij het doorgeven van prikkels?
A. Rustfase, depolarisatie, depolarisatie, herstelperiode, rustfase
B. Rustfase, depolarisatie, depolarisatie, herstelperiode, rustfase
C. Rustfade, depolarisatie, herstelperiode, depolarisatie, rustfase
2. Wat zorgt ervoor dat het vuren van een actiepotentiaal gestimuleerd
wordt?
A. EPSP
B. IPSP
C. Hyperpolarisatie
3. Verschillende organen in het lichaam produceren hormonen. De hypofyse stuurt
met behulp van afgifte van hormonen klieren in het lichaam aan om veel of weinig
hormonen af te geven in het lichaam. De hoeveelheid hormonen die daardoor in
het lichaam komt zorgt ervoor dat de hypofyse meer of minder hormonen afgeeft.
Wat is de naam van dit proces?
A. Negatieve feedback
B. Hormoonafscheiding
C. Iontropisch effect
4. in de basale ganglia verloopt de communicatie tussen neuronen met behulp van
neurotransmitters. Wat is geen neurotransmitter?
A. GABA
B. Substantie P
C. Prolactine
5. Stel dat Einstein in een psychose was beland en een paar dagen later
antipsychotica waren toegediend. Wat zou de antipsychotica in Einsteins
hersenen gedaan hebben?
A. Antipsychotica blokkeren de dopamine receptoren
B. Antipsychotica stimuleren noradrenaline receptoren en blokkeren de
serotonine receptoren
C. Antipsychotica stimuleren de serotonine receptoren
6. Na de dood van Einstein zou zijn bloed getest zijn op spoten van drugs. Er bleek
LSD in zijn systeem aanwezig te zijn. LSD lijkt chemisch gezien op een bepaald
serotonine type, het stimuleert tijdens gebruik o.a. serotonine receptoren. LSD is
dus
A. Een antagonist
B. Een agonist
C. Een drug met een hoge ‘affinity’ en een lage ‘efficacy’
7. In welk opzicht lijken de lichaamseigen stof morfine en de drug heroïne
op elkaar?
A. Beide stoffen maken gebruik van dezelfde receptoren en voorkomen de
vrijlating van dopamine
B. Beide stoffen maken gebruik van dezelfde receptoren en veroorzaken
vrijlating van serotonine
C. Beide stoffen maken gebruik van dezelfde receptoren en inhiberen de
vrijlating van GABA