Belangrijke onregelmatige werkwoorden:
1. Être (zijn)
2. Avoir (hebben)
3. Faire (doen/maken)
4. Vouloir (willen)
5. Pouvoir (kunnen/mogen)
6. Mettre (zetten/leggen)
7. Savoir (weten)
8. Voir (zien)
9. Prendre (nemen/pakken)
10. Boire (drinken)
11. Dire (zeggen)
12. Dormir (slapen)
13. Lire (lezen)
14. Devoir (moeten)
15. Croire (geloven)
16. Écrire (schrijven)
17. Aller (gaan)
18. Venir (komen)
19. Partir (vertrekken)
20. Sortir (uitgaan/naar buiten gaan)
1. Le Présent (Tegenwoordige tijd)
Geen algemene regels: elke vorm moet uit het hoofd geleerd
worden.
Voorbeeld vervoeging:
o Vouloir (willen):
Je veux, Tu veux, Il/elle/on veut, Nous voulons, Vous
voulez, Ils/elles veulent
2. Le Passé Composé (Voltooide tijd)
Opbouw:
1. Hulpwerkwoord avoir of être.
2. Voltooid deelwoord (participe passé).
Gebruik: Acties die in het verleden hebben plaatsgevonden.
Voorbeeld:
o Avoir: J'ai eu
o Être: Elle est venue
Pronominale werkwoorden: Gebruik altijd être als
hulpwerkwoord.
o Bijv. Je me suis levé(e) (Ik ben opgestaan).
3. L’Imparfait (Onvoltooid Verleden Tijd)
Gebruik: Beschrijvingen of gewoontes in het verleden.
Vorming:
1. Neem de nous-vorm van de présent.
2. Verwijder -ons.