Hoofdstuk 3 Van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving
3.2 ouderschap
tegenwoordig kan het gezag van ouders worden aangetast door overheidsmaatregelen. de
opvoeding is veranderd doordat een deel van de opvoeding niet meer in het gezin
plaatsvindt, maar op school en in toenemende mate ook in de peergroep. hierdoor neemt de
invloed van de ouders op de ontwikkeling van het kind af.
het gezin is de eerste socialisatie plaats, hier wordt de eerste taal geleerd, worden waarden
meegegeven en worden de eerste affectieve banden ontwikkeld.
tegenwoordig zijn de normen over wat goed en passend is minder eenduidig dan vroeger. bij
problemen in de opvoeding is er al snel behoefte aan professionele hulp, terwijl het
waarschijnlijk zonder deze hulp vanzelf over zal gaan. men is hierin doorgeschoten.
de jeugdwet gaat ervan uit dat dure zorg kan worden beperkt door problemen eerder te
signaleren en met het gezin te zoeken hoe men hierop adequaat kan reageren.
3.3 de jeugdwet
de opvoeders dienen te bevorderen dat kinderen gezond en veilig opgroeien, hun talenten
ontwikkelen en naar vermogen meedoen in de samenleving.
de professionals dienen zich te richten op 4 ontwikkelingsdomeinen;
1. gezond en veilig opgroeien.
2. de groei naar zelfstandigheid.
3. het ontwikkelen van voldoende zelfredzaamheid.
4. het vermogen om te participeren in de maatschappij.
pas als het ouders niet lukt om de op adequate wijze aan genoemde doelen invulling te
geven, ook niet met ondersteuning van de sociale omgeving van het gezin, ligt er een taak
voor de overheid als patriae, als beschermheer van de kwetsbaren in onze samenleving.
de jeugdwet maakt het mogelijk dat de overheid vroegtijdig kan ingrijpen als ouders niet aan
de hun gegeven opdracht kunnen voldoen.
om 2 redenen komt daarmee de verhouding tussen ouder, kind en overheid op scherp:
1. op het moment van interventie hoeft er nog geen sprake te zijn van schade in de
ontwikkeling van het kind. juist dat schadebeginsel is het criterium op grond waarvan
de overheid zich terecht mag en zelfs moet mengen in de opvoedingssituatie als
ouder onvoldoende in staat zijn hier zelf verandering in aan te brengen.
2. ieder kind wordt potentiële klant van jeugdzorg als de overheid preventief kan
handelen zonder dat er sprake is van een opvoedingsprobleem.
3.3.1 eigen kracht als wondermiddel
een belangrijk aspect in de jeugdwet is de nadruk op het versterken van eigen kracht van
ouders en kinderen en de ondersteuning die de sociale netwerk daarbij kan bieden. hierdoor
kan de vraag naar professionele hulp afnemen en wordt jeugdzorg goedkoper.
3.3.2 leefdomeinen in kaart brengen
een laatste nadruk van de jeugdwet is de nadruk op eigen integrale benadering. de
wetgever gaat ervan uit dat een integrale benadering van problemen leidt tot langduriger en