Sociologie is de wetenschap van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven.
Hierbij horen een aantal begrippen:
1. Netwerken: Individuen of groepen die met elkaar verbonden zijn
2. Sociale posities: Het hebben van een bepaald zeggenschap (of juist niet)
3. Waardevrijheid: Geen partij kiest, afstand houdt
4. Waardegebondenheid: Wel partij kiest, je eigen waarde sterk behoud.
Interactie
Interactie is het direct reageren van mensen op elkaar. Directe interactie is face-to-face.
Indirecte interactie zijn alle andere vormen van interactie, zoals mailcontact.
Beperkte beheersbaarheid en voorspelbaarheid van interacties. Je weet nooit precies hoe
iemand gaat reageren. Of bij een voetbalwedstrijd weet je nooit hoe het uitpakt. Hoe geeft
iemand feedback, je weet nooit wat diegene zegt.
Institutionalisering
Hierbij zijn bepaalde normen en waarden geaccepteerd en nageleefd door de meeste
mensen. Voorbeelden hiervan zijn het volgen van de wet of kledingvoorschriften.
Cultuur
Het aangeleerde geheel van gedragsmogelijkheden dat mensen die tot dezelfde groep horen
of samenleving gemeenschappelijk hebben.
Aangeleerd gedrag dat mensen hebben die tot dezelfde groep behoren, of als samenleving
gemeenschappelijk hebben.
Socialisatie is al het leren, bedoeld en onbedoeld, door mensen aan- en van andere mensen.
Zoals het leren van een taal.
Nature en nurture: nature is aangeboren gedrag en nurture is aangeleerd gedrag.
Subcultuur:
Een cultuur die verschilt van de dominante cultuur, een erg specifiek tak van een bepaalde
hiertoe behorende cultuur. Motorrijders of skaters, zij behoren tot de Nederlandse cultuur
maar hebben ook hun eigen subcultuur. Ze wijken zich af, maar zetten zich niet af.
Interdependentie
Interdependentie is de onderlinge afhankelijkheid tussen mensen. Als je geboren wordt ben
je afhankelijk van je ouders. Als je oud bent heb je vaak ook zorg nodig. Maar ook studenten
zijn afhankelijk van ouders of docenten. Interdependentie is qua macht ongelijk en
asymmetrisch. Interdependentie is zichtbaar in vier bindingen.
, 4 typen bindingen:
1. Economische bindingen
Afhankelijkheden tussen mensen voor zover deze voortvloeien uit de producten en
distributie van schaarse middelen ter bevrediging van behoeften.
Schaarste: spanning tussen behoeften en middelen om in de middelen te voorzien.
(een huis, medicijnen of vroeger een baan)
2. Politieke bindingen
Afhankelijkheden die betrekking hebben op de fysieke dwang die mensen op andere
mensen kunnen uitoefenen. (Politie, militairen/dienstplicht, rechter, deurwaarder)
3. Affectieve bindingen
Afhankelijkheden tussen mensen die voortvloeien uit de positieve en negatieve
gevoelens die zij voor elkaar koesteren. (klasgenoten, docenten, familieleden, stad)
4. Cognitieve bindingen
Afhankelijkheden tussen mensen die voortvloeien uit processen van kennisvorming
en kennisoverdracht. (hoe je met mensen moet omgaan, docent, kind leren eten)
Langetermijn-ontwikkelingen
• Functionele differentiatie: Binnen de samenleving hebben verschillende mensen een
bepaalde functie, verschillende soorten banen. We zijn van steeds meer mensen
afhankelijk (olievlek). Uitsplitsing/vertakkingen van bepaalde beroepen.
• Uitbreiding interdependentienetwerken: We zijn als mensen steeds meer afhankelijk
van andere mensen.
Basiscondities van menselijk samenleven
• Biologisch: verschillen in sekse en leeftijd
• Demografisch: bevolkingsomvang en bevolkingsdichtheid
• Geografisch: afhankelijkheid van fysieke omgeving
Omgaan met samenlevingsvraagstukken, 2 manieren om sociale problemen te beheersen:
• Sociale zorg: mensen die niet werken krijgen een uitkering
• Sociale controle: je overtreedt de wet, je krijgt een boete