Leren: de leerteksten van §1.1, 2.1 t/m 2.4, de vaardigheden uit deze paragrafen en jouw aantekeningen uit
de les. Gebruik de begrippenlijst van H1 en H2 (blz. 17 en blz. 40-41 leerboek) en de leerdoelen bij iedere
paragraaf om te leren.
§1.1 – Wat is geschiedenis?
• Verleden vs. geschiedenis: Het verleden is alles wat al is gebeurd. Geschiedenis is het verhaal dat we
over het verleden vertellen, gebaseerd op bronnen. Geschiedenis is dus een selectie van
gebeurtenissen.
• Historici en archeologen:
o Historici: bestuderen het verleden via geschreven en ongeschreven bronnen.
o Archeologen: zoeken naar sporen van het verleden in de grond, zoals objecten.
• Wat is een bron en welke soorten zijn er?:
Een bron geeft ons informatie over het verleden.
o Primaire bron: uit de tijd zelf.
o Secundaire bron: later geschreven over die tijd.
o Geschreven bron: bevat tekst.
o Ongeschreven bron: objecten, gebouwen, kunst.
• Prehistorie: de tijd voor geschreven bronnen. Eindigt op verschillende momenten, afhankelijk van
wanneer een volk begon met schrijven.
• De 10 tijdvakken:
o Jagers en boeren.
o Grieken en Romeinen.
o Monniken en ridders.
o Steden en staten.
o Ontdekkers en hervormers.
o Regenten en vorsten.
o Pruiken en revoluties.
o Burgers en stoommachines.
o Wereldoorlogen.
o Televisie en computer.
• De 5 periodes:
o Prehistorie.
o Oudheid.
o Middeleeuwen.
o Vroegmoderne tijd.
o Moderne tijd.
• Vier onderwerpen in de geschiedenis:
o Politiek: macht en bestuur.
o Economisch: handel en geld.
o Sociaal: relaties tussen mensen.
o Cultureel: kunst, wetenschap, geloof.
• Jaartelling: Onze jaartelling begint bij het jaar 0. Alles daarvoor noemen we voor Christus (v.Chr.) en
alles daarna na Christus (n.Chr.).
• Eeuwen: Een eeuw is 100 jaar. Bijvoorbeeld, het jaar 1500 valt in de 16e eeuw (1501-1600).
• Tijdbalk: Een lijn waarop je gebeurtenissen in volgorde zet, met jaartallen.
Natuurlijk! Hier is een eenvoudigere versie van de begrippen en leerdoelen:
Begrippen
1. Archeoloog:
Iemand die in de grond zoekt naar resten van vroeger om meer te weten te komen over het verleden.
, 2. Bron:
Alles wat ons iets kan vertellen over vroeger.
3. Chronologie:
De volgorde waarin dingen zijn gebeurd.
4. Cultureel:
Dingen die te maken hebben met ideeën, gewoontes, kunst en tradities van mensen.
5. Economisch:
Hoe mensen aan voedsel en spullen komen om te leven.
6. Geschiedenis:
Verhalen en feiten over wat er in het verleden is gebeurd.
7. Historicus:
Iemand die onderzoek doet naar het verleden.
8. Politiek:
Hoe een land of gebied bestuurd wordt en wie de macht heeft.
9. Prehistorie:
De tijd waarin mensen nog geen schrift gebruikten, dus zonder geschreven bronnen.
10. Sociaal:
Hoe mensen met elkaar omgaan in een samenleving.
11. Verleden:
Alles wat vroeger is gebeurd.
12. Erfgoed:
Dingen uit het verleden die we belangrijk vinden om te bewaren.
§2.1 – De eerste mensen jagen en verzamelen
• Evolutie: Dit is de langzame verandering van soorten over miljoenen jaren. Hierdoor ontstaan nieuwe
soorten.
• Vier menssoorten en hun kenmerken:
1. Homo habilis (2,5 miljoen jaar geleden): eerste stenen werktuigen.
2. Homo erectus (1,9 miljoen jaar geleden): kon vuur maken.
3. Homo neanderthalensis (400.000 jaar geleden): sterk en gebruikte geavanceerde
werktuigen.
4. Homo sapiens (200.000 jaar geleden): dat zijn wij, met taal en cultuur.
• Klimaat tijdens de laatste IJstijd: Het was erg koud, en Nederland was bedekt met ijs en sneeuw.
• Homo sapiens vs. Homo neanderthalensis:
1. Homo sapiens: slanker en grotere hersenen.
2. Neanderthalers: robuuster, bredere borstkas.
• Jager-verzamelaars: Leefden in kleine groepen en trokken rond. Ze jaagden op dieren en verzamelden
planten.
• Oorzaak en gevolg:
1. Oorzaak: de reden waarom iets gebeurt.
2. Gevolg: het resultaat van die oorzaak.
• Revolutie: Een snelle en grote verandering. Bijvoorbeeld, de landbouwrevolutie veranderde hoe
mensen leefden.
• Einde van de laatste IJstijd (10.000 jaar geleden):
Het werd warmer en grote dieren verdwenen, waardoor mensen hun levensstijl moesten aanpassen.
• Landschap na de IJstijd: Rivieren, meren en bossen ontstonden toen het ijs smolt.
• Veranderingen bij jager-verzamelaars: Na de IJstijd konden mensen zich vestigen en begonnen ze met
landbouw.
Extra Begrippen
de les. Gebruik de begrippenlijst van H1 en H2 (blz. 17 en blz. 40-41 leerboek) en de leerdoelen bij iedere
paragraaf om te leren.
§1.1 – Wat is geschiedenis?
• Verleden vs. geschiedenis: Het verleden is alles wat al is gebeurd. Geschiedenis is het verhaal dat we
over het verleden vertellen, gebaseerd op bronnen. Geschiedenis is dus een selectie van
gebeurtenissen.
• Historici en archeologen:
o Historici: bestuderen het verleden via geschreven en ongeschreven bronnen.
o Archeologen: zoeken naar sporen van het verleden in de grond, zoals objecten.
• Wat is een bron en welke soorten zijn er?:
Een bron geeft ons informatie over het verleden.
o Primaire bron: uit de tijd zelf.
o Secundaire bron: later geschreven over die tijd.
o Geschreven bron: bevat tekst.
o Ongeschreven bron: objecten, gebouwen, kunst.
• Prehistorie: de tijd voor geschreven bronnen. Eindigt op verschillende momenten, afhankelijk van
wanneer een volk begon met schrijven.
• De 10 tijdvakken:
o Jagers en boeren.
o Grieken en Romeinen.
o Monniken en ridders.
o Steden en staten.
o Ontdekkers en hervormers.
o Regenten en vorsten.
o Pruiken en revoluties.
o Burgers en stoommachines.
o Wereldoorlogen.
o Televisie en computer.
• De 5 periodes:
o Prehistorie.
o Oudheid.
o Middeleeuwen.
o Vroegmoderne tijd.
o Moderne tijd.
• Vier onderwerpen in de geschiedenis:
o Politiek: macht en bestuur.
o Economisch: handel en geld.
o Sociaal: relaties tussen mensen.
o Cultureel: kunst, wetenschap, geloof.
• Jaartelling: Onze jaartelling begint bij het jaar 0. Alles daarvoor noemen we voor Christus (v.Chr.) en
alles daarna na Christus (n.Chr.).
• Eeuwen: Een eeuw is 100 jaar. Bijvoorbeeld, het jaar 1500 valt in de 16e eeuw (1501-1600).
• Tijdbalk: Een lijn waarop je gebeurtenissen in volgorde zet, met jaartallen.
Natuurlijk! Hier is een eenvoudigere versie van de begrippen en leerdoelen:
Begrippen
1. Archeoloog:
Iemand die in de grond zoekt naar resten van vroeger om meer te weten te komen over het verleden.
, 2. Bron:
Alles wat ons iets kan vertellen over vroeger.
3. Chronologie:
De volgorde waarin dingen zijn gebeurd.
4. Cultureel:
Dingen die te maken hebben met ideeën, gewoontes, kunst en tradities van mensen.
5. Economisch:
Hoe mensen aan voedsel en spullen komen om te leven.
6. Geschiedenis:
Verhalen en feiten over wat er in het verleden is gebeurd.
7. Historicus:
Iemand die onderzoek doet naar het verleden.
8. Politiek:
Hoe een land of gebied bestuurd wordt en wie de macht heeft.
9. Prehistorie:
De tijd waarin mensen nog geen schrift gebruikten, dus zonder geschreven bronnen.
10. Sociaal:
Hoe mensen met elkaar omgaan in een samenleving.
11. Verleden:
Alles wat vroeger is gebeurd.
12. Erfgoed:
Dingen uit het verleden die we belangrijk vinden om te bewaren.
§2.1 – De eerste mensen jagen en verzamelen
• Evolutie: Dit is de langzame verandering van soorten over miljoenen jaren. Hierdoor ontstaan nieuwe
soorten.
• Vier menssoorten en hun kenmerken:
1. Homo habilis (2,5 miljoen jaar geleden): eerste stenen werktuigen.
2. Homo erectus (1,9 miljoen jaar geleden): kon vuur maken.
3. Homo neanderthalensis (400.000 jaar geleden): sterk en gebruikte geavanceerde
werktuigen.
4. Homo sapiens (200.000 jaar geleden): dat zijn wij, met taal en cultuur.
• Klimaat tijdens de laatste IJstijd: Het was erg koud, en Nederland was bedekt met ijs en sneeuw.
• Homo sapiens vs. Homo neanderthalensis:
1. Homo sapiens: slanker en grotere hersenen.
2. Neanderthalers: robuuster, bredere borstkas.
• Jager-verzamelaars: Leefden in kleine groepen en trokken rond. Ze jaagden op dieren en verzamelden
planten.
• Oorzaak en gevolg:
1. Oorzaak: de reden waarom iets gebeurt.
2. Gevolg: het resultaat van die oorzaak.
• Revolutie: Een snelle en grote verandering. Bijvoorbeeld, de landbouwrevolutie veranderde hoe
mensen leefden.
• Einde van de laatste IJstijd (10.000 jaar geleden):
Het werd warmer en grote dieren verdwenen, waardoor mensen hun levensstijl moesten aanpassen.
• Landschap na de IJstijd: Rivieren, meren en bossen ontstonden toen het ijs smolt.
• Veranderingen bij jager-verzamelaars: Na de IJstijd konden mensen zich vestigen en begonnen ze met
landbouw.
Extra Begrippen