Interne markt:
- Positieve integratie: harmonisatie, onderling afstemmen, uniforme EU-standaarden
- Negatieve integratie: de verboden in het Verdrag
Slagen Europese integratie: constitutionalisering EU-recht
- Van Gend en Loos: directe (rechtstreekse) werking van Europees recht (autonomie),
individuen kunnen zich hierop beroepen bij nationale rechters
● Criteria rechtstreekse werking: voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk
● Verticaal = tegen de staat
● Horizontaal = burgers onderling
- Costa/ENEL: suprematie (overheersing) van EU-recht boven de nationale wetgeving
(voorrang)
Prejudiciële vragen: verzoeken om uitleg over Verdragen of over de geldigheid van
handelingen van instanties van de EU.
Soorten bevoegdheden van de EU:
- Exclusief: alleen de EU is bevoegd
- Gedeeld: EU en de lidstaten zijn samen bevoegd
- Ondersteunend: EU ondersteunt de lidstaten (cultuur/ onderwijs)
Negatieve integratie = de verboden in het Verdrag → meteen toepassen op de
regelgeving van de lidstaten.
Positieve integratie = harmonisatie → secundaire wetgeving (rechtsgrondslag)
nodig
Rechtsgrondslag is een bepaling die voorschrijft:
1. Welk soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud/ doel)
2. Welke EU-instellingen de maatregel kunnen aannemen
3. Welke procedure hiervoor gevolgd moet worden
Tarifaire belemmeringen (belasting)
- Artikel 30 VWEU: verbod op douanerechten & heffingen van gelijke werking
- Artikel 110 VWEU: verbod op discriminerende en protectionistische binnenlandse
belastingen (n.v.t. op geïmporteerde producten)
1. Gelijksoortige producten: karakter / proces / consumentenvoorkeur.
Verbod op directe discriminatie (Outukumpu) en op indirecte discriminatie,
tenzij objectief gerechtvaardigd.
2. Producten die niet gelijksoortig zijn, maar wel met elkaar concurreren
(bier / wijn)
Artikel 34 VWEU: kwantitatieve invoerbeperkingen (quota) en alle maatregelen van gelijke
werking zijn tussen de lidstaten verboden.
Artikel 36 VWEU: rechtvaardigingsgronden voor artikel 34 maatregelen.
Artikel 34:
- GEEN harmonisatiewetgeving t.a.v. vrij verkeer van goederen
- wanneer sprake van een grensoverschrijdend element
- heeft rechtstreekse werking
, - verplicht lidstaten om op te treden tegen duurzame beperkingen van het vrije verkeer
van goederen (Schmidberger)
- GEEN horizontale rechtstreekse werking.
Maatregel van gelijke werking: een maatregel die de handel tussen lidstaten belemmeren
kan, ook al is er geen directe beperking of discriminatie van ingevoerde producten
(administratief / technisch)
- Al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel (Dassonville, Cassis & Keck)
● Verkoopmodaliteit: regels over hoe, waar, wanneer, door wie een product verkocht
mag worden (NIET iets inhoudelijks)
● Producteisen: eisen aan de inhoud en verpakking van een product
● Gebruiksverbod: belemmering op de markt / een beperking van de markttoegang
voor producenten.
Keck-mitsen: nationale bepalingen die verkoopmodaliteiten aan banden leggen zijn GEEN
MGW, mits:
- zij van toepassing zijn op alle handelsdeelnemers
- rechtens (direct) en feitelijk (indirect) niet discrimineren tegen producten uit andere
lidstaten.
Dus:
- Directen en indirecte discriminatie altijd een MGW
- Producteisen zijn altijd een MGW
- Bepaalde verkoopmodaliteiten zijn geen MGW, tenzij (in)direct discrimineren.
Twee rechtvaardigingsgronden (uitzonderingen):
Artikel 36 VWEU: beperkingen op vrij verkeer goederen rechtvaardigen
- limitatieve oplossing
- in theorie ook voor direct discriminerende maatregelen
Criteria:
1. Impliciet: geen relevante harmonisatie t.a.v. rechtvaardigingsgrond
2. Rechtvaardigingsgrond in artikel 36
3. Geen willekeurige discriminatie of verkapte handelsbelemmering
4. Impiciet: evenrediheidstoets
Cassis-rechtvaardiging: “dwingende redenen van algemeen belang”
- niet-limitatief, alle “redelijke”, tenzij economisch van aard
- alleen maatregelen zonder onderscheid, dus GEEN directe discriminatie
Criteria:
1. Geen relevante harmonisatie t.a.v. doelstelling van de maatregel
2. Een “dwingende reden van algemeen belang”
3. Geen directe discriminatie
4. Evenredigheidstoets
Evenredigheidstoets:
1. Geschiktheid: is de maatregel geschikt om het doel van algemeen belang te
bereiken?
2. Noodzakelijkheid: zijn er minder belemmerende alternatieven die het doel even goed
bereiken?