, Moeilijke woorden:
Podzolgrond: grond met specifieke mineralen, met allerlei horizonten.
Leemgrond: grond uit klei, slip en zand
Vaaggrond: bodem zonder duidelijke bodemontwikkeling
Eerdgrond: bodem met een humusrijke bovengrond.
Trofische niveaus: positie van organismen in een voedsel web.
Veen: grondstof opgebouwd uit gemummificeerd plantaardig materiaal
Humus: traag afbreekbaar deel van de organische stof in de bodem.
Ecosysteem: groep organismen die samenleven met biotische en abiotische factoren.
PP HC: Gebied met een bepaald milieu (abiotische factoren) met alle daarin levende
organismen (de levensgemeenschap).
Voorbeelden van ecosystemen: duinen, heide, loofbos, naaldbos, toendra, tropisch
regenwoud, woestijn, sloot, waddengebied
maar ook een omgevallen boom, een beekdal: het gaat om een functionele eenheid.
Grenzen van levensgemeenschappen zijn vaak niet geheel vast te leggen; de omvang van een
levensgemeenschap kan sterk variëren.
Terrestrisch ecosysteem: ecosysteem met aarde.
Aquatisch ecosysteem: ecosysteem met water.
Horizont: verschillende bodemlagen.
Ecologie: wetenschap die onderzoekt hoe planten en dieren in verhouding staan tot elkaar
en hun omgeving.
Habitat: een fysieke plek waar een beest plant wil voorkomen
Niche: de plek die ene ecosysteem ineeemt (zie boek biology voor deze begrippen!!)
Detritus: (dood organisch materiaal)
De wortelzone is 15-25 cm onder het maaiveld
Kleideeltjes (lutum) zijn de allerkleinste deeltjes.
Probleemstelling: wat is de rol van bodem in een ecosysteem?
Podzolgrond: grond met specifieke mineralen, met allerlei horizonten.
Leemgrond: grond uit klei, slip en zand
Vaaggrond: bodem zonder duidelijke bodemontwikkeling
Eerdgrond: bodem met een humusrijke bovengrond.
Trofische niveaus: positie van organismen in een voedsel web.
Veen: grondstof opgebouwd uit gemummificeerd plantaardig materiaal
Humus: traag afbreekbaar deel van de organische stof in de bodem.
Ecosysteem: groep organismen die samenleven met biotische en abiotische factoren.
PP HC: Gebied met een bepaald milieu (abiotische factoren) met alle daarin levende
organismen (de levensgemeenschap).
Voorbeelden van ecosystemen: duinen, heide, loofbos, naaldbos, toendra, tropisch
regenwoud, woestijn, sloot, waddengebied
maar ook een omgevallen boom, een beekdal: het gaat om een functionele eenheid.
Grenzen van levensgemeenschappen zijn vaak niet geheel vast te leggen; de omvang van een
levensgemeenschap kan sterk variëren.
Terrestrisch ecosysteem: ecosysteem met aarde.
Aquatisch ecosysteem: ecosysteem met water.
Horizont: verschillende bodemlagen.
Ecologie: wetenschap die onderzoekt hoe planten en dieren in verhouding staan tot elkaar
en hun omgeving.
Habitat: een fysieke plek waar een beest plant wil voorkomen
Niche: de plek die ene ecosysteem ineeemt (zie boek biology voor deze begrippen!!)
Detritus: (dood organisch materiaal)
De wortelzone is 15-25 cm onder het maaiveld
Kleideeltjes (lutum) zijn de allerkleinste deeltjes.
Probleemstelling: wat is de rol van bodem in een ecosysteem?