1. Dubbelop
• Onjuiste herhaling: Een woord of woordgroep wordt onterecht twee keer
gebruikt.
• Voorbeeld: Hij heeft het mezelf zelf gedaan.
• Tautologie: Twee woorden met dezelfde betekenis worden gebruikt.
Voorbeeld: Maar toch bleef hij wachten.
• Pleonasme: Een vanzelfsprekende eigenschap wordt genoemd.
Voorbeeld: Een witte sneeuw.
• Contaminatie: Twee uitdrukkingen worden verkeerd gecombineerd.
Voorbeeld: Overnieuw beginnen (overdoen + opnieuw beginnen).
• Dubbele ontkenning: Een extra ontkenning wordt toegevoegd.
Voorbeeld: Ik heb nooit geen fouten gemaakt.
2. Fouten met verwijswoorden
• Fout woordgeslacht: Het verkeerde verwijswoord wordt gebruikt.
Voorbeeld: De meisje die (moet zijn: dat).
• Foute verwijzing persoon: Het verwijst verkeerd naar mensen.
Voorbeeld: De mensen dat (moet zijn: die).
• Enkelvoud/meervoud-fout: Het antecedent en het verwijswoord stemmen niet
overeen.
Voorbeeld: Iedereen gingen naar huis (moet zijn: Iedereen ging).
• Hun als onderwerp: Hun wordt ten onrechte als onderwerp gebruikt.
Voorbeeld: Hun hebben gewonnen (moet zijn: Zij hebben gewonnen).
• Hun/hen-fout: Hun wordt gebruikt waar hen hoort, of andersom.
Voorbeeld: Ik geef het aan hun (moet zijn: hen).
• Dat/wat-fout: Het verkeerde verwijswoord wordt gebruikt.
Voorbeeld: Het enige dat ik wil (moet zijn: Het enige wat ik wil).
• Onduidelijk of ontbrekend antecedent: Het is onduidelijk waarnaar verwezen
wordt.
Voorbeeld: Ze zeiden dat het een probleem was (wie is ze?).
3. Incongruentie
Het onderwerp en de persoonsvorm komen niet overeen in getal.
Voorbeeld: De media schrijft (moet zijn: De media schrijven).