Week 1
Cognitief gedragsmodel
De empirische cyclus
→ zoeken naar andere mogelijkheden is belangrijk → een theorie kun je ook niet altijd voor
waarheid aannemen
Scientist-practitioner model
- Klinische interventies toepassen op basis van kennis over de etiologie van
stoornissen
- Behandeling volgens empirische cyclus (casusconceptualisatie en toetsbare
hypotheses)
- Gebruik van evidence based interventies
Rationale: dicusssie
- Waarom is het belangrijk om vóór een interventie de rationale met de cliënt te
bespreken?
- Uitleggen waarom iets belangrijk is om te doen
- Wat je gaat doen en waarom je het gaat doen
,Rationale: onderdelen
- Etiologisch model
- Hoe is het probleem ooit ontstaan?
- Betekenisanalyse
- Waardoor wordt het in stand gehouden?
- Functieanalyse
- Veranderingsmodel
- Hoe pakken we het probleem aan?
- Afspraken over behandeling
- Hoe zal de behandeling er precies uitzien?
Rationale: uitleggen
- Betrek cliënt zoveel mogelijk bij uitleggen; laat cliënt zelf het model ontdekken
- Socratische dialoog
- Gebruik individuele voorbeelden van cliënt
- Laat cliënt kritische vragen stellen
Rationale interoceptieve exposure
- Bij welke stoornis wordt interoceptieve exposure toegepast?
- Paniekstoornis
- Wat is het doel van interoceptieve exposure?
- Angst voor lichamelijke sensaties verminderen
- Wat gebeurt er precies tijdens intereoceptieve exposure?
- Cliënt bootst angstopwekkende sensaties na (snel ademhalen)
- Welke informatie moet cliënt in ieder geval krijgen voor de rationale achter
interoceptieve exposure?
- Lichamelijke sensaties zijn meestal niet gevaarlijk, herhaalde blootstelling
vermindert angst
Instandhoudingsmodel paniek
Rationale interoceptieve exposure: stappen
- Cliënt beschrijft globaal ernstige/recente paniekaanval
- Ontleed paniekaanval in
- Lichamelijke verschijnselen (beginpunt uitvragen cirkel)
- Cognities daarover
, - Emotie die de cognitie oproept
- Effect emotie op lichamelijke verschiijnselen
- Trek samen conclusie: paniekaanval is cirkel
- Vraag naar gedrag (vermijding) en kortetermijneffect (FA)
- Onderzoek betekenis van / cognitie over sentaties, die is cruciaal (BA)
- Begin cognitie uit te dagen (basisvragen Beck hfst 2)
- Vraag cliënt wat zou overtuigen of cognitie waar of onwaar is (gedragsexperiment)
Rationale interoceptieve exposure: conclusie
- Exposure aan lichamelijke sensaties
- Niet vermijden
- Géén veiligheidsgedrag
- Effecten (interoceptieve) exposure
- Falsificatie cognitie:
- Gevreesde gevolgen treden niet op
- Habituatie = ervaringsleren:
- Minder angst voor sensaties
- Contra-indicaties (arts)
- COPD, zwangerschap, hartfalen, evt. schildklierproblemen
Week 2
Holistische theorie en functieanalyse
- Holistische theorie (HT) hypothesen over:
- Relatie tussen meerdere probleemgebieden (bijvoorbeeld paniek en
comorbide depressie)
- Ontwikkelingsantecedenten
- Instandhoudende factoren
- Op basis van HT keuze welk probleem (eerst) aanpakken
- Betekenisanalyse (BA) / functienalyse (FA)
- Hypothesen over ontstaan en instandhouding van één specifiek
probleemgedrag o.b.v. leertheorie
- Identificatie van aangrijpingspunten voor interventies voor dit probleemgedrag
Betekenisanalyse: doel en stappen
- Achtergrond: klassieke conditionering
- Doel: bepalen waarom situatie problematisch is geworden (hoe is het ontstaan)
- Stappen:
- 1) Bepaal de conditioned stimulus (CS), dat is:
- De voorheen neutrale situatie die beladen is geworden
- De situatie uit het cognitief gedragsmodel
- 2) Bepaal de conditioned respone (CR):
- De emoties die door de CS wordt opgeroepen
- 3) Bepaal de UCS/UCR representatie, dat is:
- De hypothese waarom de CS tot de CR leidt
- De cognitie of visuele representatie uit het cognitief gedragsmodel
, Schema betekenisanalyse
BA paniekstoornis met agorafobie
Functieanalyse: doel en stappen
- Achtergrond: operante conditionering
- Doel: bepalen waardoor probleemgedrag in stand gehouden wordt
- Stappen:
- 1) Bepaal response (R) of operant, dat is:
- Het probleemgedrag uit het cognitief gedragsmodel
- 2) Bepaal de reinforcing stimuli (Sr’en), dat zijn de bekrachtigers of
consequenties van R: korte- en langetermijneffecten
- 3) Bepaal de discriminante stimulus (Sd), dat is de trigger van R:
- De situatie uit het cognitief gedragsmodel waarin R zich voordoet
- 4) Balans Sr’en korte / lange termijn effecten → motivatie cliënt!
Cognitief gedragsmodel
De empirische cyclus
→ zoeken naar andere mogelijkheden is belangrijk → een theorie kun je ook niet altijd voor
waarheid aannemen
Scientist-practitioner model
- Klinische interventies toepassen op basis van kennis over de etiologie van
stoornissen
- Behandeling volgens empirische cyclus (casusconceptualisatie en toetsbare
hypotheses)
- Gebruik van evidence based interventies
Rationale: dicusssie
- Waarom is het belangrijk om vóór een interventie de rationale met de cliënt te
bespreken?
- Uitleggen waarom iets belangrijk is om te doen
- Wat je gaat doen en waarom je het gaat doen
,Rationale: onderdelen
- Etiologisch model
- Hoe is het probleem ooit ontstaan?
- Betekenisanalyse
- Waardoor wordt het in stand gehouden?
- Functieanalyse
- Veranderingsmodel
- Hoe pakken we het probleem aan?
- Afspraken over behandeling
- Hoe zal de behandeling er precies uitzien?
Rationale: uitleggen
- Betrek cliënt zoveel mogelijk bij uitleggen; laat cliënt zelf het model ontdekken
- Socratische dialoog
- Gebruik individuele voorbeelden van cliënt
- Laat cliënt kritische vragen stellen
Rationale interoceptieve exposure
- Bij welke stoornis wordt interoceptieve exposure toegepast?
- Paniekstoornis
- Wat is het doel van interoceptieve exposure?
- Angst voor lichamelijke sensaties verminderen
- Wat gebeurt er precies tijdens intereoceptieve exposure?
- Cliënt bootst angstopwekkende sensaties na (snel ademhalen)
- Welke informatie moet cliënt in ieder geval krijgen voor de rationale achter
interoceptieve exposure?
- Lichamelijke sensaties zijn meestal niet gevaarlijk, herhaalde blootstelling
vermindert angst
Instandhoudingsmodel paniek
Rationale interoceptieve exposure: stappen
- Cliënt beschrijft globaal ernstige/recente paniekaanval
- Ontleed paniekaanval in
- Lichamelijke verschijnselen (beginpunt uitvragen cirkel)
- Cognities daarover
, - Emotie die de cognitie oproept
- Effect emotie op lichamelijke verschiijnselen
- Trek samen conclusie: paniekaanval is cirkel
- Vraag naar gedrag (vermijding) en kortetermijneffect (FA)
- Onderzoek betekenis van / cognitie over sentaties, die is cruciaal (BA)
- Begin cognitie uit te dagen (basisvragen Beck hfst 2)
- Vraag cliënt wat zou overtuigen of cognitie waar of onwaar is (gedragsexperiment)
Rationale interoceptieve exposure: conclusie
- Exposure aan lichamelijke sensaties
- Niet vermijden
- Géén veiligheidsgedrag
- Effecten (interoceptieve) exposure
- Falsificatie cognitie:
- Gevreesde gevolgen treden niet op
- Habituatie = ervaringsleren:
- Minder angst voor sensaties
- Contra-indicaties (arts)
- COPD, zwangerschap, hartfalen, evt. schildklierproblemen
Week 2
Holistische theorie en functieanalyse
- Holistische theorie (HT) hypothesen over:
- Relatie tussen meerdere probleemgebieden (bijvoorbeeld paniek en
comorbide depressie)
- Ontwikkelingsantecedenten
- Instandhoudende factoren
- Op basis van HT keuze welk probleem (eerst) aanpakken
- Betekenisanalyse (BA) / functienalyse (FA)
- Hypothesen over ontstaan en instandhouding van één specifiek
probleemgedrag o.b.v. leertheorie
- Identificatie van aangrijpingspunten voor interventies voor dit probleemgedrag
Betekenisanalyse: doel en stappen
- Achtergrond: klassieke conditionering
- Doel: bepalen waarom situatie problematisch is geworden (hoe is het ontstaan)
- Stappen:
- 1) Bepaal de conditioned stimulus (CS), dat is:
- De voorheen neutrale situatie die beladen is geworden
- De situatie uit het cognitief gedragsmodel
- 2) Bepaal de conditioned respone (CR):
- De emoties die door de CS wordt opgeroepen
- 3) Bepaal de UCS/UCR representatie, dat is:
- De hypothese waarom de CS tot de CR leidt
- De cognitie of visuele representatie uit het cognitief gedragsmodel
, Schema betekenisanalyse
BA paniekstoornis met agorafobie
Functieanalyse: doel en stappen
- Achtergrond: operante conditionering
- Doel: bepalen waardoor probleemgedrag in stand gehouden wordt
- Stappen:
- 1) Bepaal response (R) of operant, dat is:
- Het probleemgedrag uit het cognitief gedragsmodel
- 2) Bepaal de reinforcing stimuli (Sr’en), dat zijn de bekrachtigers of
consequenties van R: korte- en langetermijneffecten
- 3) Bepaal de discriminante stimulus (Sd), dat is de trigger van R:
- De situatie uit het cognitief gedragsmodel waarin R zich voordoet
- 4) Balans Sr’en korte / lange termijn effecten → motivatie cliënt!