Week 1
Voorwaarden strafbaarheid
Voorwaarden voor strafbaarheid
1. Menselijke gedraging
a. Menselijke: alleen personen kunnen aansprakelijk worden gehouden
b. Gedraging: fysiek gedraging begrip. Het is soms moeilijk om gedragingen los
te zien van de wil van de dader (bv reflexen). Denk aan: Commissie, art. 287
Sr, handelen EN omissie, art. 450 Sr, juist niet handelen.
2. Wettelijke delictsomschrijving
a. Gedragingen zijn pas strafbaar als ze in de wet zijn terug te vinden
legaliteitsbeginsel
b. Juridische duiding van de menselijke gedraging (bv. mishandeling)
3. Wederrechtelijk
a. ‘In de strijd met objectieve recht’. (Dit is gedrag dat in strijd is met
geschreven/ongeschreven regels.)
b. Wordt in beginsel verondersteld aanwezig te zijn TENZIJ: rechtvaardigingsgrond
noodweer
4. Aan schuld te wijten (verwijtbaarheid)
a. Verwijtbaarheid: toerekening van het feit van de dader. Geen straf zonder schuld.
b. Wordt in beginsel verondersteld aanwezig te zijn
c. TENZIJ: er sprake is van een schulduitsluitingsgrond.
IRAC:
1. Issue/Rechtsvraag beantwoorden
2. Rule 1: Je beschrijft de juridische kader (wetsartikel).
3. Application: Je benoemt alle vereisten van het wetsartikel en past deze toe aan de
casus.
4. Conclusion: Je beantwoordt de rechtsvraag met het wetsartikel.
, Week 1
Het rechterlijke beslismodel materiele vragen
Het juridische kader is art. 350 Sv
1. Bewijsbeslissing: Is het ten laste feit bewezen?
1. Zo ja, (Kijk naar datum en plaats of die overeenkomen) naar vraag 2
2. Zo nee, vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv)
i. Onvoldoende bewijs
ii. Culpoos delict en geslaagd beroep op strafuitsluitingsgrond
iii. Wederrechtelijkheid als bestanddeel en geslaagd beroep op
rechtvaardigingsgrond
2. Kwalificatie + wederrechtelijkheid: Is het feit strafbaar?
1. Zo ja, naar vraag 3
2. Zo nee, OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
i. Kwalificatie niet mogelijk want de gedraging is niet strafbaar gesteld in
de wet (een fout in de ten laste legging)
ii. Ontbreken van wederrechtelijkheid: wederrechtelijkheid als element
en een geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond.
3. Verwijtbaarheid: Is de verdachte strafbaar?
1. Zo ja, naar vraag 4
2. Zo nee, OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
i. Ontbreken van verwijtbaarheid: verwijtbaarheid als element en een
geslaagd beroep op een schulduitsluitingsgrond.
4. Welke sanctie dient te worden opgelegd?
a. Is het feit bewezen? Dan kan er op basis van art. 351 Sv een straf/maatregel worden
opgelegd.
IRAC:
1. Issue/rechtsvraag beantwoorden
2. Rule 1: Beschrijf het juridische kader (wetsartikel art. 350 Sv) en vereisten van het
artikel.
3. Application: Pas de casus toe op de vereisten van het wetsartikel.
4. Conclusion: Beantwoord de rechtsvraag met het wetsartikel.