Les 1:
Geografische vragen?
- Wat
- Waar
- Waarom daar
- Hoe
- Wat gebeurt er als
Typevraag: voorspellend, verklarend, beschrijvend en oplossend.
Verschillende perspectieven
- Economisch perspectief
- Sociaal-cultureel perspectief
- Politiek perspectief
- Fysisch (natuurlijk) perspectief
Ander woord voor perspectief = dimensie = manier om naar een verschijnsel te kijken.
Positie van de aarde
1. Zon
2. Mercurius
3. Venus
4. Aarde
5. Mars
6. Jupiter
7. Saturnus
8. Uranus
9. Neptunus
10. Pluto
Schaalniveaus
Lokale schaal (lokaal/plaatselijk)
Regionale schaal (regionaal/regio)
Nationale schaal (nationaal/land)
Internationale schaal (internationaal/werelddeel- Benelux)
Mondiale schaal (mondiaal/wereld)
Plaatsbepaling
Coördinatenstelsel: wereldwijde afspraak.
Evenaar = het 0-punt, alle andere lijnen/cirkels over de breedte van de aarde zijn de
breedtecirkels, de breedtecirkels gaan van links naar 0 grden naar 90 graden laag bij de
evenaar, hoog bij de polen. (NB/ZB)
, aardrijkskunde
Nulmeridiaan = alle lijnen van noord naar zuid noemen we de meridianen. De gaan van 0
graden naar 180 graden (OL/WL)
Greenwich: gescheiden in het oostelijk en het westelijk halfrond.
Draaiing van de aarde
Op welke 2 manieren beweegt de aarde?
1. Zelf, om hun eigen as (24 uur).
2. Om de zon (1 jaar).
Wat zijn de gevolgen?
1. Seizoenen, door de schuine stand van de aardas: welk halfrond staat het dichtstbij de
zon?
2. Dag en nacht, tijdzones ( hoelaat bel je vanaf je vakantieadres?)
Les 2:
Wat is het verschil tussen weer en klimaat?
Weer klimaat
1. veranderlijk 1. lange tijd gelijk (+/- 30 jaar)
2. plaatselijk 3. groter gebied (meerdere landen)
Klimaat = het gemiddelde weer.
Lage of hoge luchtdruk heeft invloed op bijv. de windrichting.
Let bij de klimaatgrafieken goed op de maanden dat het zomer is. Het zuidelijk halfrond is
het tegenover gestelde van onze seizoenen.
3 hoofdzones :
- koude of polaire zone: zomer onder de 10 graden
- gematigde zone: zomer boven 10 graden en winter onder de 18 graden
- tropische zone : winter boven 18 graden
welke factoren bepalen het klimaat?
1. Breedteligging: hoe verder van de evenaar hoe kouder.
2. Hoogteligging : hoe hoger hoe kouder (elke 100 m hoger = 0,6 graden kouder)
3. Ligging t.o.v. zee (gesteldheid oppervlak): water warmt langzaam op en koelt
langzaam af (klein verschil zomer en wintertemperatuur); land warmt snel op en
koelt snel af (groot verschil zomer- en wintertemperatuur).
4. Windrichting: overheersend landwind of juist zeewind?
5. Ligging t.o.v. gebergte: regenschaduw (lijzijde) of natte kant (loefzijde)?