Weet wat belangrijke zaken zijn voor de toets. Ja.
Kan vragen maken en beantwoorden over onderwerpen van PL. Ja.
Week 14
De student:
Kan verwoorden wat verstaan wordt onder de diverse vormen van digitale
zorg. Passieve hulpvorm: inhoud niet te beïnvloeden voor zorgvrager, geen
interactie. Actieve hulpvorm: inhoud te beïnvloeden door zorgvrager.
Interactieve hulpvorm: interactie met zorgprofessional.
Kan verwoorden wat domotica is en diverse voorbeelden van domotica
benoemen. Een systeem dat is aangebracht in een woning dat bestaat uit
verschillende met elkaar communicerende technische componenten.
Bijvoorbeeld een beleeftafel of zorgrobots die een deel van de taken over
kunnen nemen.
Kan verwoorden waarom en in welke situatie (bepaalde specifieke) digitale
vaardigheden en beschikbare ICT-mogelijkheden in gezet kunnen worden
in de zorg. E-consults worden gebruikt door de huisarts om de zorg te
ontlasten. Domotica wordt gebruikt zodat mensen langer thuis kunnen
wonen.
Kan aan de hand van een casus een geschikt (technologisch) hulpmiddel
zoeken. Ja.
Week 15
De student:
Kan beschrijven wat reflecteren wordt verstaan onder reflecteren. Bewust
nadenken over je eigen handelen om op die manier inzicht in je handelen
en professionaliteit te vergroten.
Kan beschrijven hoe het STARR-reflectie model en het Korthagen reflectie
model werkt. STARR-reflectie model: situatie: wat was de situatie?
Wanneer speelde de situatie zich af? Wat speelde er? Wie waren erbij
betrokken? Taak: wat was je taak? Wat was je rol? Wat wilde je bereiken?
Wat werd er van je verwacht/wat verwachtte je van jezelf in deze situatie?
Actie: hoe heb je het aangepakt en waarom? Hoe pakte je het zo aan?
Waarom heb je het zo aangepakt? Onderbouw dit antwoord met
theoretische concepten die je opleiding heeft aangereikt of die je zelf hebt
opgezocht. Resultaat: heeft het gewerkt en waarom? Heeft het gewerkt?
Waarom wel/waarom niet? Reflectie: wat heb je ervan geleerd? Hoe vond je
dat je het hebt gedaan? Was je tevreden met de resultaten? Wat is de
essentie van wat je geleerd hebt? Wat zou je de volgende keer eventueel
anders of beter doen? Kun je wat je hebt geleerd ook toepassen in andere
situaties? Toepassing: hoe ga je het geleerde toepassen? Korthagen
reflectie model: handelen: wat wilde ik bereiken? Waar wilde ik op letten?
Wat wilde ik uitproberen? Terugblikken: wat gebeurde er concreet? Wat
wilde ik? Wat deed ik? Wat dacht ik? Wat voelde ik? Bewustwording: hoe
hangen de antwoorden op de vorige vragen met elkaar samen? Wat is
daarbij de invloed van de context/de school als geheel? Wat betekent dit
nu voor mij? Wat is dus het probleem (of de positieve ontwikkeling)?
Alternatieven ontwikkelen: welke alternatieven zie ik? Welke voor- en