Week 2
Anatomie:
Je kent de anatomische structuren van de luchtwegen. Ja.
Je kan anatomische structuren aan de hand van een afbeelding benoemen
en herkennen. Ja.
Fysiologie:
Je begrijpt het proces van de ademhaling. Een ademhalingscyclus bestaat
uit een in- en uitademing. Bij een inademing spant het diafragma zich aan
en gaat het omlaag, waardoor de longen uitzetten, de druk in de borstholte
lager wordt en de lucht de longen in kan stromen. Bij een uitademing
ontspant het diafragma zich en gaat het omhoog, waardoor de longen
samentrekken, de druk in de borstholte hoger wordt en de lucht de longen
uit stroomt.
Je kan het proces van de ademhaling uitleggen met behulp van de hierbij
betrokkenen anatomische structuren. Ja.
Pathofysiologie:
Je kan het gevolg van schade aan de pleura (pneumothorax) op de
ademhaling verklaren. Bij een pneumothorax is er lucht gekomen tussen
de viscerale pleura en de pariëtale pleura, in de pleuraholte, waardoor de
pleura niet meer tegen elkaar aan liggen en de longen niet meer
ontplooien voor een ademhaling. De long klapt dan naar binnen en kan
niet meer ademhalen.
Terminologie:
Je kan de medische terminologie uit het woordenboek “Ademhalingsstelsel
& Ademhaling I” in het Nederlands omschrijven. Je kan deze termen vanuit
de medische benaming naar het Nederlands vertalen en andersom. Ja.
Week 3
Anatomie:
Je kent de anatomische structuren van de luchtwegen. Ja.
Je kan anatomische structuren aan de hand van een topografische
afbeeldingen benoemen en herkennen. Ja.
Fysiologie:
Je kent de vitale parameters van de ademhaling. Ademfrequentie,
zuurstofsaturatie.
Je begrijpt de ademhalingscyclus en kan deze koppelen aan de
longvolumina en longcapaciteiten. Bij een rustige ademhaling wordt het
teugvolume in de longen ververst. Dit is ongeveer 500 ml. Bij een
inspiratie kan het inspiratoir reservevolume worden gebruikt en bij een
expiratie kan het expiratoir reservevolume worden gebruikt. Het
inspiratoire reservevolume plus het teugvolume en het expiratoir
reservevolume is de vitale longcapaciteit. De totale longcapaciteit is het
minimale volume plus het residuvolume en de vitale longcapaciteit.
Je kan de aanpassingen van de ademhaling en bijbehorende fysiologische
veranderingen, in verschillende situaties, beredeneren
(ademhalingsfrequenties, inspanning en rust). Bij een inspanning zal de
ademhalingsfrequentie omhoog gaan en zal er gebruik gemaakt worden
van het inspiratoir en expiratoir reservevolume. Bij een rustige ademhaling