Anatomie:
Je kan praktijkrelevante bloedvaten benoemen en aan de hand van
anatomische afbeeldingen herkennen. Ja.
Fysiologie:
Je kan aan de hand van een anatomische afbeelding de bloedsomloop
uitleggen. Ja.
Je kan de verschillen tussen de kleine en grote bloedsomloop uitleggen. De
kleine bloedsomloop gaat van het hart naar de longen en weer terug en
voegt zuurstof aan je bloed toe en geeft koolstofdioxide af en de grote
bloedsomloop gaat door het hele lichaam en voorziet de weefsels en de
longen zelf van zuurstofrijk bloed, zodat de cellen hun processen kunnen
doen. Het verschil is dus de afstand die het bloed af legt door het lichaam.
Je kan de bloedsomloop in eigen woorden omschrijven. De bloedsomloop is
opgedeeld in de kleine bloedsomloop, deze gaat vanuit het hart naar de
longen en weer terug en voegt zuurstof aan je bloed toe en geeft
koolstofdioxide af en de grote bloedsomloop, deze gaat vanuit het hart via
de aorta naar het gehele lichaam en geeft zuurstofrijk bloed af, waardoor
de cellen in het hele lichaam hun processen kunnen voortzetten. De
weefsels geven dan weer zuurstofarm bloed af aan de aders, die dit
terugbrengen naar het hart.
Je kan de rol van het lymfestelsel in de circulatie van vocht omschrijven.
De lymfeklieren zorgen ervoor dat het vocht voordat het de bloedcirculatie
in gaat gefilterd wordt.
Pathofysiologie:
Je kan omschrijven wat de verschillende oorzaken zijn van het ontstaan
van oedeem. Oedeem kan ontstaan door een hoge bloeddruk of doordat
iemand weinig plasma-eiwitten heeft. Er wordt minder vocht geresorbeerd,
waardoor er vocht achter blijft in de weefsels, waardoor een vochtophoping
ontstaat. Andere oorzaken van oedeem kunnen zijn: een verstoord
evenwicht in de aan- en afvoer van vocht, niet/slecht werkende kleppen in
de lymfebanen, verwijderde lymfeklieren/lymfebanen, niet goed werkende
venen, operaties, radiotherapie, wondroos, infecties, bepaalde huidziektes,
obsesitas, staand beroep uitoefenen en zwangerschap.
Terminologie:
Je kan de medische terminologie uit het woordenboek “Bloedsomloop” in
het Nederlands omschrijven. Ja.
Je kan deze termen vanuit de medische benaming naar het Nederlands
vertalen en andersom. Ja.
Week 6
Anatomie:
Je kan praktijkrelevante bloed- en lymfevaten benoemen en aan de hand
van anatomische afbeeldingen herkennen (zie les 4). Ja.
Fysiologie:
Je kent de factoren die de bloeddruk beïnvloeden. Je kan uitleggen hoe en
wanneer je lichaam op deze factoren ingrijpt om de bloeddruk stabiel te
houden. Vasoconstrictie: de bloeddruk stijgt, vasodilatatie: de bloeddruk
daalt. ADH: de bloeddruk stijgt. Het RAAS-systeem wordt ingezet: de
bloeddruk stijgt. ANP: de bloeddruk daalt.
, Je kan het resultaat beredeneren (verandering van bloeddruk) wanneer
een van de boven genoemde factoren veranderd. Bij vasoconstrictie
ontstaat er meer weerstand om het bloed door de vaten te duwen, doordat
de diameter van het vat kleiner wordt, waardoor er een hogere druk op de
vaatwanden wordt uitgeoefend, waardoor de bloeddruk stijgt. Bij
vasodilatatie ontstaat er minder weerstand om het bloed door de vaten te
duwen, doordat de diameter van het vat groter wordt, waardoor er minder
druk wordt uitgeoefend op de vaatwanden, waardoor de bloeddruk daalt.
Bij ADH wordt er vocht vastgehouden, wat invloed heeft op het eind
diastolisch en eind systolisch volume, wat beide hoger wordt, waardoor de
bloeddruk stijgt. Bij het RAAS-systeem gaat renine ervoor zorgen dat
angiotensinogeen wordt omgezet naar angiotensine I, dit gaat naar de
longen, waar zich ACE-enzymen bevinden, wat samen met angiotensine I
angiotensine II wordt, wat voor vasoconstrictie zorgt en voor de afgifte van
aldosteron, wat ook een dorstprikkel geeft, waardoor er meer natrium uit
de voorurine wordt opgenomen, wat invloed heeft op het bloedvolume wat
hoger wordt, waardoor het slagvolume en de hartfrequentie beide hoger
worden, waardoor het eind diastolisch en systolisch volume beide hoger
worden, waardoor de bloeddruk omhoog gaat. Bij ANP worden natrium en
water uitgescheiden door osmose en de dorstprikkel wordt geremd,
waardoor je minder gaat drinken en extra gaat plassen, waardoor het
volume lager wordt en de aanmaak van ADH en aldosteron geremd wordt,
waardoor je extra gaat plassen en er vasodilatatie ontstaat, wat ervoor
zorgt dat er minder druk wordt uitgeoefend op de vaatwanden, waardoor
de bloeddruk daalt.
Pathofysiologie:
Je kan symptomen (zoals duizeligheid, koude handen) verklaren in het
geval van een shock verklaren door gebruik te maken van je opgedane
fysiologie kennis. Als het bloed minder goed rondgepompt kan worden en
er dus minder circulerend volume is, zullen de hersenen minder
voedingsstoffen krijgen, waardoor iemand duizelig kan worden. Ook zal er
minder bloed naar de perifere organen zoals de huid gaan, omdat er eerst
bloed wordt gestuurd naar de hersenen en de vitale organen, waardoor de
huid minder goed doorbloed wordt en de handen dus koud aan kunnen
voelen. Als het bloed niet meer goed verdeeld kan worden kan het
gebeuren dat er op sommige plekken weinig tot geen bloed meer komt,
waardoor er verkleuring van de huid kan ontstaan of koud aan voelen.
Terminologie:
Je kan de medische terminologie uit het woordenboek “Bloeddruk” in het
Nederlands omschrijven. Je kan deze termen vanuit de medische benaming
naar het Nederlands vertalen en andersom. Ja.
Week 7
Anatomie:
Je kent de anatomie van het hart. Ja.
Je kan anatomische structuren aan de hand van een anatomische
afbeelding benoemen. Ja.
Je kent het verschil tussen de rechter en linker harthelft. De linker harthelft
zorgt ervoor dat er zuurstofrijk bloed het lichaam in wordt gepompt voor
zuurstofafgifte en afgifte van voedingsstoffen en de rechter harthelft