De student:
Anatomie:
Je kan de anatomie van de lever en de omliggende structuren
beschrijven. Ja.
Je kan de structuren van de lever en de omliggende structuren op een
anatomische afbeelding aanwijzen en benoemen. Ja.
Je kan de doorbloeding van de lever beschrijven. De lever krijgt bloed
vanuit de poortader en dit wordt gefilterd. Hierna gaat het via de vena
hepatica naar de vena cava inferior naar het hart toe. Zuurstofrijk bloed
krijgt de lever vanuit de arteria hepatica.
Fysiologie:
Je kunt de verschillende functies van de lever beschrijven. Verwerken
van voedingsstoffen, productie van eiwitten, detoxificatie, fagocytose
van rode bloedcellen, bacteriën en andere indringers, opslag van
glucose in de vorm van glycogeen en afvalstoffen uit het bloed halen.
Je kan de centrale rol van de lever in verschillende
stofwisselingsprocessen beschrijven. De lever filtert bloed in de
stofwisseling.
Je kan middels je fysiologische kennis over de lever in eigen woorden
uitleggen wat de relatie van de lever is met andere orgaanstelsels.
Relatie met het maagdarmstelsel: opslag van glucose in de vorm van
glycogeen, reguleert glucose, produceert albumine, vetstofwisselingen:
omzetten van vetten in ketonen, synthetiseren van lipoproteïnen voor
de transport van vetten in het bloed, bilirubine afvoeren en uitscheiden,
productie van gal, opname van in vet oplosbare vitamines, detoxificatie
en metabolisme. Relatie met de nieren: afgebroken stoffen gaan van de
lever naar de nieren waar ze worden toegevoegd aan de nieren
(urobilinen) (ureum, ketonen, urinezuur en creatinine). Ammoniak
koppelen aan koolstofdioxide voor ureum en het breekt medicatie af.
Relatie met het bloed en de circulatie: de hepatocyten in de lever
synthetiseren plasma-eiwitten die bepalen de osmotische waarde van
het bloed, voedingsstoffen spelen een rol bij de bloedstolling en maken
deel uit van het complementsysteem. Relatie met de rode bloedcellen:
de lever helpt bij het afbreken van rode bloedcellen, verwerkt bilirubine
en slaat ijzer op voor de productie van nieuwe rode bloedcellen,
vitamine K is een stollingsfactor, samenstelling van bloed, omzetten
van macro’s en micro’s en hepatocyten synthetiseren plasma-eiwitten.
Relatie met macrofagen en kupffercellen: de kupffercellen in de lever
verwijderen verouderde/beschadigde rode bloedcellen door middel van
fagocytose. Relatie met het beenderstelsel: de lever ondersteunt het
beenderstelsel door activatie van vitamine D, het reguleren van
ijzeropslag en het beïnvloeden van hormonen die belangrijk zijn voor de
gezondheid van de botten, vetoplosbare vitaminen (A,D,E en K),
emulgeren van vetten. Relatie met de schildklier en andere
hormoonklieren: schildklier: geeft TH af en de lever zet dit om in actief
T3: beïnvloedt stofwisseling. Bijnier: adrenaline & noradrenaline &
cortisol: zorgt ervoor dat de lever glycogeen afbreekt tot glucose.
Reguleert angiotensine. Alvleesklier: glucagon (glycogeen > glucose in
de lever) + insuline (glucose + glycogeen). Overig: triglyceriden: