Functies:
1. Excretie: de verwijdering van organische afvalstoffen uit
lichaamsvloeistoffen.
2. Eliminatie: de lozing van deze afvalstoffen naar buiten.
3. Homeostatische regeling van het volume en de concentratie opgeloste
stoffen in het bloed.
4. Het reguleren van het bloedvolume en de bloeddruk: dit gebeurt door het
volume van het water aan te passen dat met de urine verloren gaat. Het
afgeven van erytropoëtine en renine.
5. Het reguleren van de concentratie van natrium, kalium, chloride en andere
ionen: dit gebeurt door te regelen hoeveel er met de urine verloren gaat
en door de concentratie calciumionen te regelen via de vorming van
calcitriol.
6. Bijdragen aan het stabiliseren van de pH van bloed: dit gebeurt door het
verlies van waterstofionen en bicarbonaationen in de urine te regelen.
7. Het behoud van waardevolle voedingsstoffen: dit gebeurt door te
voorkomen dat ze met de urine verloren gaan.
Een verstoring van deze functies heeft onmiddellijke en dodelijke
gevolgen.
De organen:
Nieren: verrichten uitscheidingsfuncties. Ze produceren urine > een
vloeistof die water, ionen en kleine opgeloste stoffen bevat.
Het bovenste oppervlak van beide nieren wordt bedekt door een bijnier.
De positie van de nieren en de bijnieren wordt retroperitoneaal
genoemd, omdat ze achter het peritoneum liggen.
De nieren worden op hun plek gehouden in de buikholte door het
bovengelegen buikvlies, contact met aangrenzende organen en
ondersteunende bindweefsels.
Wandelende nier: een aandoening waarbij de nieren van hun plaats
raken en de eraan zittende bloedvaten en ureter belasten. Dit is
gevaarlijk omdat de ureters en de bloedvaten van de nier tijdens
bewegingen van het lichaam kunnen draaien of geknikt kunnen raken.
De nierpoort is waar de a. renalis en de plexus renalis binnenkomen.
De nier is verdeeld in een buitenste nierschors en een binnenste
niermerg.
Het merg bevat zes tot achttien kegelvormige nierpiramiden.
Het uiteinde van elke nierpiramide, de nierpapil, steekt in de
renale sinus uit.
Een nierlobje bestaat uit een nierpiramide, het omhullende laagje
en de nabijgelegen weefsels van de columnae.
In de nierlobjes wordt urine gevormd. Binnen de nierpapil
wordt de urine via buizen afgevoerd naar een komvormige
holte, de calix minor.
Vier of vijf calices minores vormen een calix major.
Twee of drie calices majores vormen samen het
nierbekken. Deze is verbonden met de ureters, de
buizen waardoor de urine de nier uit naar de blaas
loopt.
Urinevorming begint in nefronen.