• Acute pijn en chronische pijn
o Acute exacerbatie van pijn → chronische pijn.
o Pijn die niet voorbij gaat in de tijd die ervoor herstel staat, kan variëren, is persisterende pijn, chronische pijn. Kan na 3
weken of 6 weken. Volgens de boeken 3 maanden.
• Paracetamol → COX-3 remmer
o Analgeticum (pijn bestrijdend)
o Ontstekingsremmend (paracetamol niet!) = anti-inflammatoir
o Koortsremmend
• NSAID’S → ibuprofen, naproxen, diclofenac
o Analgetisch, koortsremmend en anti-inflammatoir
o Niet-steroïde anti-inflammatoire stoffen
• Bekend fenomeen in HH-gebied: trigeminusneuralgie.
o Innerveren n. mandibularis, n. maxillaris en n. opthalmicus.
▪ Bovenkaak, onderkaak, kaakgewricht, neus, oogkans,
o Ernstige pijn
o Medicatie: andere middelen dan paracetamol en NSAIDs.
o Er moet beschreven worden in welke tak pijn is.
• Soorten pijn
• Nociceptieve pijn → pijn die samenhangt met schade, stimulatie/prikkeling van
een nociceptor, meestal schade.
o Relatie tussen prikkelsterkte en pijn.
o Nociceptor reageert op:
▪ Mechanische → Kauw- en nekspieren kunnen hoofdpijn
geven. Overbelasting leidt tot pijn door constante spanning.
▪ Chemische → Spier gaat door zuurstoftekort over op
lactaatverbranding → lactaat komt vrij → melkzuur → H+
komt vrij.
• H+ is chemische inductor van chemische noci-
ceptoren.
• Ischemie hart → angina pectoris.
• Ontsteking → toxische prikkeling van een membraan + verzuring van weefsel (H+) en andere
processen.
• H+ → ischemie → ontsteking / necrose
▪ Thermische prikkels → mond branden aan hete thee. Pijn tijdens en na prikkel (nazeurpijn).
• Bij verhoging van pijn steeds meer pijn → nociceptor wordt extra geprikkeld.
o Diep of oppervlakkig?
▪ Diep: niet zichtbaar. Diep somatisch (houdings- of bewegingsapparaten → gewrichten, spieren) of visceraal
(organen)
• Gedragen zich op dezelfde manier met referred pain (gerefereerde pijn) → pijn plek is niet de pijn
bron. Bij de oorzaak van de pijn bevindt de pijn zelf zich niet. Dit komt door de segmentale
zenuwvoorziening.
o Oorzaak zit in de segmentale zenuwvoorziening → afhankelijk van de dermatomen.
▪ In HH-gebied vanuit de hersenstam.
• Neuropathische pijn (zenuw-gerelateerde pijn)
o 1. Uitval is de duidelijkste factor bij een zenuwgerelateerde pijn,
passend bij een bepaalde zenuw.
▪ Symptomen moeten passen bij de zenuwgerelateerde
pijn.
▪ Te kort of uitvalsverschijnselen. Als een zenuw het niet
doet, dan gaat er iets mis in het lichaam.
o 2. Pijnuitstraling in gebied van de zenuw.
▪ OK: een takje van n. mandibularis.
▪ Oog: een takje van n. opthalmicus.
▪ BK: een takje van n. maxillaris
o 3. Dermatomale overlap
▪ Stuk huid dat wordt voorzien door één sensibel ganglion.
• Sensibel ganglion van HH-gebied → ganglion
trigeminale, van nervus V.
o N. maxillaris, n. mandibularis en n.
opthalmicus is 1 dermatoom.
▪ Ruggenmergsegmenten → 7 halswervels, 8 cervicale ruggenmergsegmenten.
• C2 treedt uit tussen wervel C1-C2.
o C2 betrokken als verdachte bij pijn? → verbinding dermatoom C2 en zenuw C2?
• L5 treedt uit tussen L5-S1.