- Hoofdstuk 2, de statistische cyclus
Mediaan = middelste getal in een rij, bij een even aantal getallen dan
tussen liggende waarde van 2 middelste getallen
Modus = vaakst voor komende getal, hoogste frequentie
Gemiddelde = som van alles optellen en dan delen door frequentie
Populatie = gehele groep waarop onderzoek is gericht
Steekproef = deel van de populatie die je onderzoekt (moet
representatief zijn)
Proportie = bepaald deel van populatie
Populatieproportie = welke proportie van de populatie (Voorbeeld; als
12% van de populatie op D66 stemt, dan is de populatieproportie D66-stemmers 0,12,
notatie; p=0,12)
Formule; p= aantal frequentie in populatie met kenmerk/totale frequentie populatie
Steekproefproportie = welke proportie van de steekproef (Voorbeeld: als
9% van de steekproef D66-stemmers zijn is de steekproefproportie 0,09, notatie; p^=
0,09)
Formule; p^= aantal frequentie in de steekproef met kenmerk/totale frequentie
steekproef
Variabelen = onderzoek kenmerken bij statistiek
Kwalitatieve variabelen = niet reken bare variabelen, maar een
eigenschap
Kwantitatieve variabelen = reken bare variabalen, een hoeveelheid
Ordinaal = variabelen met een structuur, maar op volgorde
Nominaal = variabelen waarbij volgorde niet van belang is
Boxplot = diagram van verdeling van data
Eerste kwartiel = mediaan van de 1ste helft van data, notatie; Q1
Derde kwartiel = mediaan van de 2de helft van data, notatie; Q3
Spreidingsbreedte = maximum – minimum van hele data
Interkwartielafstand = Q3 – Q1
Spreidingsmaat = drukt mate van spreiding van gegevens uit in een
getal
, Standaardafwijking = geeft indruk van gemiddelde afwijking van
getallen tot het gemiddelde, notatie; σ
Klassengrenzen –breedte –midden = de grenzen, grootte en midden
van 1 klasse
Modale klasse = de “modus” voor klasse, dus de klasse met hoogste
frequentie
Frequentiepolygoon = lijndiagram waarin absolute frequenties van
waarnemingsgetallen staan (alleen bij kwantitatieve variabelen)
Relatieve frequentiepolygoon = frequentiepolygoon met relatieve
waardes
Cumulatieve frequentiepolygoon = frequentiepolygoon met
cumulatieve waardes
Cumulatieve frequentie = optelling van frequenties met vorige
waarneming
Relatieve frequentie = procentuele deel van frequentie van totale
waarneming
Relatieve cumulatieve frequentiepolygoon = optelling van
procentuele deel van frequentie met de vorige waarnemen en deze
informatie in een frequentiepolygoon verwerken
PHI-coëfficiënt =
- Boven 0,4 en onder –0,4 = verschil groot
- Boven 0,2 en onder –0,2 = verschil middelmatig
- Boven –0,2 en onder 0,2 = verschil gering
- Hoofdstuk 4, handig tellen
Bij een restaurant een 3 gangen menu, en je kiest bij elke gang iets uit
wat je wilt eten. Voor de 1ste gang heb je 2 keuzes, daarna 3 keuzes en
voor het dessert ook 3 keuzes. Dus de som die je maakt is 2 x 3 x 3= 18
verschillende keuzes
Je kiest nu voor een 2 gangen menu OF en 3 gangen menu, de keuzes per
gang blijven hetzelfde, maar hij het 2 gangen menu valt de optie van een
dessert weg. De som die je nu maakt is 2 x 3 +(de + is keuze tussen 2 of
3 gangen) 2 x 3 x 3= 24 keuzes
Vuistregel; situatie met en gebruik je x en situatie met of gebruik je +