Hoorcollege 2 pijn en pijnverwerking
- acute pijn: weefselbeschadiging
Pijn is in te delen in 3 soorten
- nociceptieve pijn: wordt veroorzaakt door actieve of dreigende weefselschade
→ mechanische, thermische of chemische (noxische) pirkkel
→ nociceptie = acute pijn
- primaire pijn: dreigende noxische prikkel, scherp & gelokaliseerd plaats en ernst
- A𝛿-vezel → direct naar hersenen, reflexboog
- reflex, directe gewaarwording
- verdwijnt na opheffen van noxische prikkel
- secundaire pijn: ontstekingsreactie (SP), diffuus, emotioneel
- C-vezel en SP → C- vezel schakelt steeds over en zorgt voor afgifte van SP en sensititsatie
- perifere sensitisatie
- emotioneel, doet ‘lijden’
- blijft aanwezig zolang ontstekingsreactie duurt
→ de stofjes enkefaline geven een demping van de nociceptie
hyperalgesie: verhoogde gevoeligheid voor nociceptieve prikkels
allodynie: niet-nociceptieve prikkels worden pijnlijk
🡪 kan somatisch (huid, spier, bot) of visceraal (organen) zijn
🡪 bestaat uit 4 processen:
1. transductie: prikkeling van de perifere nociceptoren
2. transmissie: overbrengen van de prikkel via het ruggenmerg naar de hersenen
3. waarneming: herkennen in de hersenen van de pijn
4. modulatie: terugkoppeling van de hersenen naar het weefsel waar de pijn optreedt
- neuropatische pijn: zenuwpijn, wordt veroorzaakt door beschadiging in het zenuwstelsel
🡪 uitval van zenuwfunctie
- Centraal
- perifeer
- nociplastische pijn: (chronische pijn) ontstaat door een veranderde nociceptie waardoor er
ondanks afwezigheid van werkelijke of dreigende weefselschade toch perifere nociceptoren worden
geactiveerd.
Endorfinen (=opioïden): remmen pijnsignalen in stijgende en dalende banen
enkefaline (=Neurotransmitter): remt nociceptieve prikkels in ruggenmerg, geeft demping van pijn
Voordelen van endorfine tov morfine
- endorfine werkt selectief
- heeft geen bijwerking
- geen tolerantie
- niet verslavend
focale pijn: plaatselijke pijn
Het is belangrijk om te onderzoeken hoe de patiënt zelf met zijn pijn omgaat. Context, cognities,
emoties en gedrag van een persoon kan de ervaring van pijn voor een persoon beïnvloeden.
Pijn ontstaat in het brein
Substance P komt vrij in het ruggenmerg door C-vezel prikkeling van interneuronen in het
ruggenmerg
Een foto geeft altijd uitsluitsel voor een fractuur. De testen geven een vermoeden!!
Hoorcollege 3: Bindweefsel
, weefsel: een samenstel van gelijksoortig gedifferentieerde cellen, dus met gelijke of vergelijkbare
functie, die door intercellulaire contacten en extracellulaire tussenstof verbonden zijn
Bloed is een vloeibare vorm van bindweefsel
Het lichaam kent 4 soorten weefsel;
1. epitheelweefsel (dekweefsel)
2. bindweefsel
3. spierweefsel
4. zenuwweefsel
Functies van bindweefsel;
- vormt het geraamte van je lichaam
- het verbindt de verschillende
lichaamsonderdelen
- het beschermt de organen
- metabole functie
- opslag van energie
- vorming littekenweefsel bij schade
Bindweefsel bestaat uit 3 dingen: Cellen, vezels en
grondsubstantie
- grondsubstantie bestaat uit water, eiwitten, GAGs
- Vezels
- bestaan uit eiwitketens
- Collageen (pezen en ligamenten) en elastine
- Collageen:
- Iedere collageenvezel bestaat uit fibrillen
- iedere microfibril bestaat uit een rij geschakelde moleculen
- Iedere molecuul bestaat uit 3 polypeptide (alfaketens) ketens
- Ze zijn verbonden met een suiker vandaar de naam glycoproteïne
soorten collageen: de alpha ketens zijn niet bij alle collageenvezels hetzelfde
- Type 1: 90% van het bindweefsel, erg trekvast
- type 2: in kraakbeen, kunnen goed tegen druk door sterke waterbinding
- type 3: wordt als eerst geplaatst na schade en bijv. ook in de lever, weinig structuur)
Bindweefsel herstel is afhankelijk van:
- aantal actieve cellen
- beschikbaarheid van zuurstof (doorbloeding)
- beschikbaarheid essentiële voedingsstoffen (aminozuren, vitamine C)
- autonome ZS en hormoonactiviteit
- ziekten of schadelijke stoffen
hypertrofie: Bij grotere belasting wordt er meer bindweefsel neergelegd
atrofie: Bij onderbelasting wordt er meer weefsel afgebroken
Door training krijgen de nieuwe fibrillen een grotere diameter en leggen ze meer crosslinks aan. Het
pees/ligament wordt dikker en vooral sterker
Effecten van immobilisatie:
- spier: verkorten heel snel, vezeldoorsnede neemt snel af
- botweefsel: duurt langer en wordt uiteindelijk ook korter en atrofieert
- De aanhechting op bot en spier neemt als eerste af in sterkte
- leidt tot een zwak litteken met volledig willekeurig georiënteerde collagene fibrillen
- verschillende lagen die normaal langs elkaar horen te bewegen raken verkleefd (adhaesies)
Schade van bindweefsel;
Ontstaanswijze; trauma of overbelasting
- contusie(kneuzing): (continuïteit is niet verstoord en hersteld daardoor makkelijker)
- distorsie: ruptuur of evt luxatie of fractuur