Vlakken, assen en bewegingen
● Frontaal vlak: Verdeelt het lichaam in voor en
achter
● Sagittaal vlak: Verdeelt het lichaam in links en
rechts
● Transversaal vlak: Verdeelt het lichaam in boven
en onder
● Longitudinale as: Loopt door het transversale
vlak, maakt rotatie mogelijk
Bewegingen:
● Abductie: Beweging van het lichaam af
● Adductie: Beweging naar het lichaam toe
● Anteflexie: Beweging naar voren
● Retroflexie: Beweging naar achteren
● Endorotatie: Inwaartse rotatie
● Exorotatie: Uitwaartse rotatie
Richtingaanduidende termen
● Ventraal: Voorzijde van het lichaam
● Dorsaal: Achterzijde van het lichaam
● Mediaal: Dichtbij het midden
● Lateraal: Ver van het midden
● Distaal: Richting uiteinde (vingers, tenen)
● Proximaal: Richting aanhechtingspunt (oksel, lies)
● Craniaal: Richting schedel
● Caudaal: Richting voeten
Typen verbindingen tussen botstukken
● Junctura ossea
● Junctura fibrosa
● Junctura cartilaginea
● Junctura synovialis
De relatie tussen het type verbinding en de stabiliteit/mobiliteit van het gewricht hangt af van
de structuur van de verbinding.
Typen synoviale gewrichten
● Articulatio cylindrica (ginglymus en art. trochoidea)
● Articulatio sphaeroidea
● Articulatio ellipsoidea
● Articulatio sellaris
● Articulatio plana
De anatomische stabiliteit van het gewricht is gerelateerd aan het type synoviale verbinding.
Bouw van een synoviaal gewricht
● Capsula articularis
, ● Membrana fibrosa
● Membrana synovialis
● Cavum articulare met synovia
● Cartilago articularis
● Ligamenten (capsulair, extra- en intra-capsulair)
● Meniscus
● Bursa
Standen van een synoviaal gewricht
● Close-Packed-Position (C.P.P.): Maximale congruentie en stabiliteit
● Maximally Loose Packed Position (M.L.P.P.): Minimale congruentie, maximale
instabiliteit
Bewegingsmogelijkheden in een synoviaal gewricht
● Active Range of Motion (AROM): Bewegingsbereik door actieve spiercontractie
● Passive Range of Motion (PROM): Bewegingsbereik door externe kracht
Hoorcollege 2: Spierbouw en spieractiviteit
Bouw en functie van dwarsgestreept spierweefsel
Dwarsgestreept spierweefsel, ook bekend als
skeletspierweefsel, bestaat uit spiervezels die zijn opgebouwd
uit myofibrillen. Deze spiervezels vertonen een karakteristieke
dwarse streping onder de microscoop. Skeletspieren zijn
meestal verbonden aan het skelet en zijn verantwoordelijk voor
beweging van het lichaam.
Mechanisme van spiercontractie en -ontspanning
Spiercontractie vindt plaats volgens de glijdende
filamenttheorie:
1. Actine- en myosinefilamenten schuiven in elkaar.
2. Myosinekoppen binden aan actinefilamenten met
behulp van ATP-energie.
3. Calcium speelt een cruciale rol bij het vrijmaken van
bindingsplaatsen voor myosine.
4. Een actiepotentiaal stimuleert de afgifte van calcium uit
het sarcoplasmatisch reticulum.
5. Na de contractie wordt calcium weer opgenomen,
waardoor de spier ontspant.
Eigenschappen van langzame en snelle spiervezels
● Langzame (type 1)(rood) spiervezels:
● Lagere contractiesnelheid
● Kleiner dwarsdoorsnede-oppervlak
● Hogere aerobe capaciteit
● Beter bestand tegen vermoeidheid
● Gebruikt bij uithoudingsoefeningen
● Snelle (type 2)(wit) spiervezels:
● Hogere contractiesnelheid
, ● Groter dwarsdoorsnede-oppervlak
● Hogere anaerobe capaciteit
● Sneller vermoeid
● Gebruikt bij krachttraining en explosieve bewegingen
Functioneren van motorische eenheden in een spier
Een motorische eenheid bestaat uit een motorisch neuron en de spiervezels die het
aanstuurt. Belangrijke punten:
1. Eén motorisch neuron kan meerdere spiervezels aansturen (2-2000).
2. De kracht van een spier hangt af van het aantal geactiveerde motorische eenheden.
3. Bij lichte inspanning worden voornamelijk type 1 vezels geactiveerd.
4. Bij zwaardere inspanning worden meer type 2 vezels gerekruteerd.
5. Motorische neuronen geven via neurotransmitters signalen door aan de spiervezels
Hoorcollege 3: Hartvaatstelsel en bloeddruk
Bouw en functie van het hart
Het hart is een holle spier die bestaat uit twee helften, elk met een boezem (atrium) en een
kamer (ventrikel). De belangrijkste onderdelen zijn:
● Tussenschot (septum) dat de linker- en rechterhelft scheidt
● Hartkleppen die de bloedstroom reguleren
● Kransslagaders die het hart zelf van bloed voorzien
Verloop van de bloedsomloop
De bloedsomloop bestaat uit twee delen:
1. Kleine bloedsomloop (longcirculatie): Rechterkamer → longen →
linkerboezem
2. Grote bloedsomloop (lichaamscirculatie): Linkerkamer → lichaam →
rechterboezem
Regeling van de hartactiviteit
Het hart wordt elektrisch
aangestuurd:
1. De sinusknoop genereert
een elektrische prikkel
2. De prikkel verspreidt zich
over de voorkamers
3. Via de AV-knoop en het
geleidingssysteem bereikt
de prikkel de kamers
4. Dit resulteert in één
hartslag (gemiddeld 70
per minuit in rust)
Veranderingen bij inspanning
Bij inspanning past het hart zich aan: