SAMENVATTING OUDERENPSYCHOLOGIE - PB2102
(OPEN UNIVERSITEIT)
1. Wat bedoelt men met de dubbele vergrijzing in Nederland en België?
A) Het aantal jongeren neemt sneller toe dan het aantal ouderen.
B) De levensverwachting op oudere leeftijd neemt toe, en het aantal mensen op hogere leeftijd
binnen de groep van ouderen neemt in verhouding toe.
C) Ouderen migreren vaker naar het buitenland.
Antwoord: B) De levensverwachting op oudere leeftijd neemt toe, en het aantal mensen op
hogere leeftijd binnen de groep van ouderen neemt in verhouding toe.
Rationale: Dubbele vergrijzing verwijst naar twee trends: een stijgende levensverwachting en
een groeiend aandeel zeer ouderen (80+) binnen de oudere populatie.
2. Wat verstaat men onder verlengde middelbare leeftijd?
A) De leeftijdsgroep tussen 40 en 60 jaar.
B) De leeftijdsgroep tussen 60 en 80 jaar.
C) De leeftijdsgroep tussen 70 en 90 jaar.
Antwoord: B) De leeftijdsgroep tussen 60 en 80 jaar.
Rationale: Verlengde middelbare leeftijd verwijst naar de periode waarin mensen langer gezond
en actief blijven, vaak tussen 60 en 80 jaar.
3. Onderzoek laat zien dat:
1. Nog geen vijfde van de werkgevers het belangrijk vindt dat oudere werknemers tot pensioen
doorwerken.
2. 43% van de werkgevers vindt dat helemaal niet belangrijk.
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
,estudyr
Antwoord: C) I en II zijn juist.
Rationale: Beide stellingen zijn correct gebaseerd op onderzoek naar werkgeversperspectieven
op oudere werknemers.
4. Geestelijke gezondheidszorg voor ouderen:
1. Heeft weinig zin.
2. Een 80-jarige krijgt niet met dezelfde vanzelfsprekendheid adequate psychologische hulp
geboden als een 40-jarige.
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
Antwoord: B) Alleen II is juist.
Rationale: Geestelijke gezondheidszorg is zinvol voor ouderen, maar er bestaat vaak een
leeftijdsgerelateerde bias in de hulpverlening.
5. Hedendaagse ouderen:
1. Hebben een betere gezondheid dan ouderen uit voorgaande generaties.
2. Deeg (2015) laat zien dat ouderen de afgelopen 10-15 jaar meer gezondheidsproblemen hebben
gekregen en meer zorg behoeven.
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
Antwoord: B) Alleen II is juist.
Rationale: Hoewel ouderen langer leven, neemt het aantal gezondheidsproblemen toe door de
vergrijzing.
6. Vrijwilligerswerk onder ouderen:
,estudyr
1. Ouderen tussen 55 en 74 jaar doen meer vrijwilligerswerk dan de groep van 15 tot 34 jaar en
van 35 tot 54 jaar.
2. Ondanks het feit dat ouderen veel vrijwilligerswerk doen, hebben ze relatief weinig
economische waarde.
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
Antwoord: A) Alleen I is juist.
Rationale: Ouderen zijn actief in vrijwilligerswerk, maar dit heeft wel degelijk economische en
sociale waarde.
7. Wat verstaat men onder de term babyboomers?
A) Personen geboren tussen 1925-1945.
B) Personen geboren tussen 1945-1965.
C) Personen geboren tussen 1965-1985.
Antwoord: B) Personen geboren tussen 1945-1965.
Rationale: Babyboomers zijn de generatie geboren na de Tweede Wereldoorlog, tijdens een
geboortegolf.
8. Welke optie is minder kenmerkend voor de babyboomers?
A) Lagere opleidingsgraad in vergelijking met hun eerdere generatie.
B) Actieve betrokkenheid bij maatschappelijke veranderingen.
C) Hoge consumptiebereidheid.
Antwoord: A) Lagere opleidingsgraad in vergelijking met hun eerdere generatie.
Rationale: Babyboomers hebben over het algemeen een hogere opleidingsgraad dan
voorgaande generaties.
, estudyr
9. Levensverwachting onder ouderen:
1. Binnen het cohort van ouderen hebben vrouwen een hogere levensverwachting dan mannen.
2. Hoogopgeleiden onder ouderen hebben een 6 tot 7 jaar hogere levensverwachting dan
laagopgeleiden.
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
Antwoord: C) I en II zijn juist.
Rationale: Vrouwen leven gemiddeld langer dan mannen, en hoogopgeleiden hebben een
aanzienlijk hogere levensverwachting.
10. Ouderen met een migratieachtergrond:
1. Hebben vaak een slechtere algemene gezondheid.
2. Kunnen doorgaans niet zo goed omgaan met problemen, waardoor hun welbevinden slechter is
dan dat van jongeren (Lamers 2013).
A) Alleen I is juist.
B) Alleen II is juist.
C) I en II zijn juist.
Antwoord: A) Alleen I is juist.
Rationale: Ouderen met een migratieachtergrond hebben vaker gezondheidsproblemen, maar
hun welbevinden is niet per se slechter dan dat van jongeren.
11. Welk doel binnen de geriatrie en ouderenzorg is minder van belang?
A) Behoud en verbetering van fysieke gezondheid.
B) Verbetering van de kwaliteit van leven.
C) Verlenging van de levensduur tegen elke prijs.
Antwoord: C) Verlenging van de levensduur tegen elke prijs.