(uterus)
1. De VIO vertelt de anatomie en fysiologie van de verschillende spiersoorten en hun functie.
Spiercellen, ook wel fibrillen
Spierspanning, ook wel tonus
Spieren kunnen samentrekken en ontspannen, hierdoor is beweging mogelijk. Een spiercontractie
eist voldoende bloedtoevoer, zodat er voldoende O2, Calcium en voedingsstoffen aanwezig zijn. Ook
kunnen op die manier afvalstoffen afgevoerd worden.
Bij contracties vind er een chemische reactie plaats tussen de filamenten van myosine en actine
(eiwitten). Het contractiemechanisme in deze weefsels is hetzelfde, maar de wijze waarop de actine-
en myosinefilamenten zijn gerangschikt verschilt.
Glad spierweefsel, (ook wel visceraal, organisch of onwillekeurig sierweefsel genoemd)
Onwillekeurige spieren, niet onder controle van de wil. Kunnen uit zichzelf (intrinsiek) samentrekken.
Bevatten geen strepen maar zijn spoelvormig. Bij verwonding kunnen ze zich herstellen.
Er is altijd een tonus aanwezig, maar zeer korte periodes is het gladde spierweefsel in volledige
ontspanning, contracties is langzaam maar houden veel langer aan als in skeletspieren.
Sommige gladde spieren zijn autonoom, ze kunnen hun eigen contractie starten onafhankelijk van
zenuwprikkeling.
Gladde fibrillen worden aangespannen door:
- Autonome zenuwimpulsen
- Bepaalde hormonen, bijv. adrenaline zorgt voor verwijding van bloedvaten
- Plaatselijke metabolieten (eindproducten zoals ATP)
Gladde fibrillen komen voor in de wanden van holle organen met als doel:
- De diameter te reguleren, constrictie en vasoconstrictie in de bloedvaten of ademwegen
- Inhoud voortstuwen, voedselbrij in tractus digestieve
- Inhoud uit scheiden, bij blaas of uterus
, Omdat de actine en myosinefilamenten door het gehele cytoplasma verspreid ligt is er in
tegenstelling tot bij het hart en skeletspierweefsel geen sprake van dwarsgestreept.
Hartspierweefsel
Bevind zich in de wanden van het hart, elke spiervezel vertakt zich aan andere. Hartspiercellen zijn
met elkaar verbonden door intercalaire schijven, speciale aanhechtingsplaatsen die gap junctions en
demosomen bevatten. Op deze manier word er een netwerk gevormd dat de kracht en prikkel voor
de samentrekking van het hart efficiënt van het ene gedeelte van het hart naar het andere gedeelte
van het hart naar het andere gedeelte kan overbrengen.
Hartspierweefsel heeft een sterk beperkt vermogen om zich te herstellen. Stamcellen ontbreken,
sommige hartspiercellen kunnen zich delen, maar herstelt onvolledig.
Het hart heeft een intrinsieke pacemaker: het kloppen word zonder zenuwstimulatie gecoördineerd.
Hartspiercellen zijn niet afhankelijk van zenuwactiviteit om een samentrekking te beginnen. In plaats
daarvan zijn er gangmakercellen voor een regelmatig ritme van samentrekking. Het zenuwstelsel kan
wel de snelheid van de activiteit van de gangmakercellen wijzigen.
De snelheid waarmee het hart klopt word echter wel beïnvloed door:
- Autonome zenuwimpulsen
- Bepaalde hormonen, bijv. adrenaline zorgt voor verwijding van bloedvaten
- Plaatselijke metabolieten (eindproducten zoals ATP)
Skelet/ dwarsgestreepte spieren
Heeft een gestreepte structuur en word willekeurig aangestuurd. Bewegingen kunnen alsnog
onbewust zijn. Door skeletspieren via pezen vast zitten aan de botten kunnen beenderen bewegen.
Bevatten zeer grote meerkernige cellen. Zijn lang en dun, worden daarom spiervezels genoemd. Zijn
in staat zich na een verwonding geheel of gedeeltelijk te herstellen. Skeletspiervezels zijn meestal
ontspannen, tenzij ze door zenuwen tot samentrekking worden aangezet.
Skeletspieren zijn niet mitotisch, dit betekend dat skeletspieren zichzelf niet kunnen delen, wel
kunnen ze vervangen worden door satellietcellen. Satellietcellen zijn cellen die in spieren voorkomen
en zich kunnen ontwikkelen tot skeletspieren. Kleine spierschade kan dus door satellietcellen
hersteld worden.
De vijf primaire functies:
1. Bewegen van skeletdelen. Contracties van skeletspieren trekken aan pezen, waardoor de beenderen
worden verplaatst.
2. Handhaven van houding en lichaamspositie. De lichaamshouding wordt door voortdurende
spiercontracties gehandhaafd. Zonder deze constantie activiteit zouden we niet rechtop kunnen zitten
zonder in elkaar te zakken, of rechtop kunnen staan zonder om te vallen.
3. Ondersteunen van weke delen. De buikwand en de bodem van de bekkenholte bestaan uit lagen
skeletspierweefsel. Deze spieren dragen het gewicht van de organen in de buik en bekkenholte en
beschermen onze inwendige weefsels tegen beschadiging.
4. Openen en sluiten van de in- en uitgangen. De toegang tot het spijsverteringskanaal en de urinewegen is
met ringen van skeletspierweefsel omgeven. Dankzij deze spieren kunnen we het slikken, de stoelgang en
het plassen bewust aansturen.
5. Handhaven van de lichaamstemperatuur. Voor spiercontracties is energie nodig en telkens wanneer in
het lichaam energie wordt gebruikt, wordt een deel van deze energie in warmte omgezet. Door de warmte
die werkende spieren afgeven, blijft de lichaamstemperatuur binnen de grenzen die nodig zijn om normaal
te functioneren.