Diagnostisch instrumenten
MINI: (semi)gestructureerd interview
- Interview of iemand voldoet aan de criteria van DSM. Korte vragen en als iemand nee
antwoord door naar een andere stoornis, test legt dit uit.
- MINI-S voor jongeren in het Engels, niet in Nederlands verkrijgbaar
- Voorkomen tunnelvisie, differentiaaldiagnose
SCID-5-PD
- Meet DSM-5 criteria van persoonlijkheidsstoornissen
- Leidt tot formele diagnose, X aantal criteria. Als enige test!! Zoals MINI, heeft u dit of
dat? JA? Dan verder doorvragen en anders door naar andere stoornis
- Je kan of 2 uur gesprek doen of eerst laten screenen en dan dat gedeelte uitvragen
- Gestandaardiseerde vragen
- Junior versie voor kinderen en jongeren
Cognitieve en Intelligentietest
W.I.S.C
- Volledige schaal IQ = totaal IQ, subsets nodig om total IQ te meten
- Primary index scales, indexen die een eerste aanzet geven voor sterkte/zwakte
analyse
- Sub schaal scores van gemiddeld liggen meestal tussen 8 en 12
Uitleg die aan ouders en leraren wordt gegeven
1. working memory index = Manager. Digit span. Er gebeurt superveel in de hersenen
en manager prioriteert en plant wat wel of niet gedaan moet worden
2. Verwerkingssnelheid index = Assistent. Coderen en symbool zoeken, eerst 3
items voor doen en dan kijken of iemand zelf figuurtjes kan doen. De assistent zou
snel, efficiënt en fouten moeten kunnen herkennen.
3. Visueel-ruimtelijk index = architect. Block design: door de bomen het bos zien,
iemand kijkt met bepaalde manier en heeft veel inzichten, mentale rotatie. De
architect kan kleine delen zien in geheel plaatje en kan met delen iets nieuws maken.
4. Vloeiend redeneer index = Detective. Matrix redeneren: aanvullen van patroon met
juiste onderdeel. Vermogen nieuwe problemen oplossen, logisch redeneren. De
detective vertrouwt de bibliotheker voor feiten en architect voor constructie
verbeelden. Hij informeert de manager wat prioriteit heeft en vertrouwt de assistent
om de juiste info te verwerken.
5. Verbaal begrip index = Bibliotheker. Feitelijke kennis, verbaal redeneren.
Vocabulaire, woordbetekenis om onderdelen te benoemen.
WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale)
Doelgroep: Volwassenen vanaf 16 jaar.
Wat meet het? Cognitieve vaardigheden via dezelfde indexen als de WISC,
aangepast voor volwassenen.
Format: Individuele afname met blokken, vragen en puzzels.
Doel:
, o Bepalen van cognitief functioneren, bijvoorbeeld bij neuropsychologische
diagnostiek of forensisch onderzoek.
Scoring:
o IQ-score met een gemiddelde van 100 (SD = 15).
o Indexen en subtestscores zijn vergelijkbaar met WISC.
Bayley-III (Bayley Scales of Infant and Toddler Development)
Doelgroep: Baby’s en peuters (1 tot 42 maanden).
Wat meet het? Ontwikkelingsmijlpalen op 5 domeinen:
1. Cognitie.
2. Motorische vaardigheden.
3. Taalontwikkeling.
4. Sociaal-emotionele ontwikkeling
5. Adaptief gedragsschaal
Format: Spel gebaseerde taken waarbij een kind taken uitvoert terwijl een
beoordelaar observeert.
Doel: Identificeren van ontwikkelingsachterstanden en sterktes.
Scoring: Normscores per domein; resultaten vergeleken met leeftijdsgenoten.
Waarom is intelligentie een conglomeraat?
Intelligentie wordt als een conglomeraat beschouwd omdat het bestaat uit meerdere
afzonderlijke, maar gerelateerde componenten die samen het totale cognitieve functioneren
bepalen.
Redenen:
1. Multidimensionaliteit: Intelligentie omvat domeinen zoals verbaal begrip,
probleemoplossend vermogen, werkgeheugen en verwerkingssnelheid. Geen
enkele subtest kan intelligentie volledig meten.
2. Interactie tussen vaardigheden: Domeinen beïnvloeden elkaar. Bijv. een
sterk verbaal begrip kan logisch redeneren ondersteunen.
3. Variatie tussen personen: Een persoon kan hoge scores halen op vloeiend
redeneren maar gemiddeld scoren op werkgeheugen, waardoor een
samengestelde benadering nodig is.
Cattel-Horn-Carroll (CHC) model; stratum 1, 2, 3
Meet wel brede cognitieve vaardigheden, niet de smalle
Maakt het mogelijk om systematisch te kijken wat de sterktes en zwaktes zijn
integratie van eerdere intelligentie testen. Op basis van Catell en Caroll
- 100 jaar later intelligentie test nog steeds hetzelfde, wel nieuwe versies, mensen
worden steeds slimmer (Flyn effect)
- 3 stratum niveaus. 1 is algemene G, 2 is brede cognitieve vaardigheden en 3 is
nauwkeurige cognitieve vaardigheden.
Gedragsinterventies
ABC-model
- A: antecedent, wat gaat eraan vooraf (trigger)
- B: gedrag/behavior, hoe ziet het gedrag eruit, hoe vaak komt het voor?
- C: consequenties, wat gebeurt er nadat het gedrag is gezien, hoe reageren anderen?
SORC-model
, - S: stimulus/antecedent (trigger)
- O: organismische variabelen die relevant zijn voor gedrag (interne van persoon).
Bijvoorbeeld heel hoog temperament in jezelf.
- R: respons, observeerbare gedrag
- C: consequenties van gedrag
Screening en gedragsvragenlijst; OQ en SQ gebruikt ook voor feedback
CBCL: child behavior checklist
- Gestandaardiseerde lijst om probleemgedrag in kaart te brengen
- Screening! brede lijst om overzicht te krijgen
- Internaliserende en externaliserende problemen indicaties
- Ouder, leerkracht en zelfrapportage
- COTAN Beoordeling
- 2 onderdelen: activiteiten/ competenties van kind (hobby’s, sport, thuis en school) en
informatie over probleemgedrag.
- Sub schalen; teruggetrokken, somatische klachten, angst en depressie, sociale
problemen, denkproblemen, aandachtsproblemen, delinquent gedrag en agressief
gedrag.
- 3 HOOFD scores: internaliserende, externaliserende en totale problemen.
STQ veel gebruikt ook, korter dan CBCL
Syndroom-specifieke schalen: CDI, Conners, STAI-kiddie
SQ-48
- 48 items, in 9 sub schalen: vijandigheid, agrofobie, angst, cognitieve klachten,
depressie, somatische klachten, sociale fobie, vitaliteit en werk/studie.
- Totaalscores optellen: behalve de sub schalen vitaliteit en werk/studie.
- Hoe vaak u zich de afgelopen week heeft gevoeld
OQ-45: Totale score en 3 sub scores, 45 items
- Een hoge score suggereert dat client veel last heft van symptomen en
interpersoonlijke relaties en hun algemene kwaliteit van leven.
- Kritieke items: Item 8 (suïcide), item 11/32 (middelen misbruik), item 44 (geweld)
- Subschalen:
Symptoom distress meet angst/stemming en aanpassing stoornissen. Hoge score
geeft aan dat client er last van heeft.
Interpersoonlijke relaties score: test eenzaamheid, ruzies met andere/ familie en
huwelijksproblemen. Lage scores geven aan dat deze klachten niet aanwezig zijn en
dat mensen tevreden zijn over de kwaliteit van relaties.
Sociale rol: rollen conflicten, lage scores geven aan dat je goed kan aanpassen aan
rol. Wel goed kijken of iemand niet laag scoort doordat hij werkeloos is.
BASC-2; screening voor kinderen en adolescenten. Gedrag en emotionele valkuilen en
sterktes ontdekken.
1. Agressie
2. Aandachtsproblemen