Samenvatting pedagogiek, blok
2
Superdiversiteit
Kwantitatieve transitie [interculturele verschillen]
Hier gaat het om diverse culturele groepen. De verschillen tussen
groepen.
Kwalitatieve transitie [intra culturele verschillen]
Hier gaat het om de verschillen binnen een groep. Iedereen heeft
zijn eigen ideeën en gewoontes, ook al behoren ze tot dezelfde
groep.
5 diversiteitbenaderingen
Deficietbenadering > Inhalen of wegwerken van achterstanden.
De mensen helpen het individu dat achterloopt. Zij hebben
voorlichting en/of scholing nodig om weer gelijk te lopen met de
rest.
Differentiebenadering > Overbruggen van culturele verschillen.
Je gaat in gesprek met de ander en laat de verschillen verdwijnen
door ze te begrijpen en te erkennen.
Discriminatiebenadering > Tegengaan van uitsluitingen
paternalisme. Hier gaat het om dat groepen op basis van hun
achtergrond afgesteld worden.
Doelgroepsbenadering > 3-1 gecombineerd. Alle 3 de
benaderingen worden tegelijk ingezet.
Diversiteitsbenadering > verschillen en overeenkomsten tussen
mensen erkennen. Deze benadering richt zich op wat de mensen
verbindt en onderscheidt, ZONDER dat diversiteit als een probleem
wordt gezien.
Meervoudig kijken
Meervoudig kijken betekent dat je niet alleen vanuit je eigen perspectief
moet kijken, maar je ook moet kunnen verplaatsen in de perspectief van
de ander. Je hebt als pedagoog je eigen referentiekader, om de
kinderen/ouders te begrijpen moet je met ze in gesprek gaan en naar ze
luisteren. Wat jij goed vindt, kunnen anderen als slecht ervaren.
Intersectionaliteit en kruispuntdenken
, Intersectionaliteit – de theorie die uitlegt hoe verschillende
identiteiten [geslacht, geloof, huidskleur] elkaar kruisen en samen
bepalen hoe iemand wordt behandeld en wat hun ervaringen zijn.
Kruispuntdenken – De praktische manier om intersectionaliteit toe
te passen. Het helpt om beter te begrijpen waarom mensen
verschillende kansen of uitdagingen hebben door naar alle aspecten
van hun identiteit tegelijk te kijken.
Acculturatiestrategieën
Segregatie – Mensen die het belangrijk vinden om hun oude
cultuur te behouden en het lastiger vinden om zich aan te passen
aan de nieuwe cultuur.
Integratie – bij integratie behoud je je oude cultuur als dat je je
aanpast aan de nieuwe cultuur.
Assimilatie – Je gaat naar een ander land, je verliest je eigen
cultuur en je past je vooral aan de nieuwe cultuur.
Marginalisatie – je hebt weinig interesse om je te verdiepen in de
nieuwe cultuur en vindt je eigen cultuur niet interessant. Je hecht
niet veel waarde aan beide culturen
Developmental niche
Setting – Dit gaat over de omgeving waarin het kind leeft. Hoeveel
broertjes? Dit beïnvloedt de dagelijkse ervaringen van het kind. Bv.
De ruimte die het kind heeft om te spelen of de sociale interacties
die het kind heeft binnen het gezin.
Praktijken en gewoontes – Dit verwijst naar de routines en
gewoontes die het gezin heeft. Denk aan bv dagelijkse gewoontes
zoals, eten, bedtijd en de manier waarop ouders met hun kinderen
communiceren.
Psychologie van de opvoeders – Dit gaat over de opvatting en
opvoedingsdoelen van de ouders. Wat vinden zij belangrijk in de
opvoeding van hun kinderen? De opvoeddoelen kunnen beïnvloed
zijn door de cultuur waarin de ouders zijn opgegroeid en wat zij
belangrijk vinden voor de ontwikkeling van hun kinderen.
De developmental niche is een cultuur-ecologische model, wat betekent
dat het kijkt naar de manier waarop cultuur, het milieu en de
opvoedpraktijken elkaar beïnvloeden en samen de ontwikkeling van het
kind bepalen.
2
Superdiversiteit
Kwantitatieve transitie [interculturele verschillen]
Hier gaat het om diverse culturele groepen. De verschillen tussen
groepen.
Kwalitatieve transitie [intra culturele verschillen]
Hier gaat het om de verschillen binnen een groep. Iedereen heeft
zijn eigen ideeën en gewoontes, ook al behoren ze tot dezelfde
groep.
5 diversiteitbenaderingen
Deficietbenadering > Inhalen of wegwerken van achterstanden.
De mensen helpen het individu dat achterloopt. Zij hebben
voorlichting en/of scholing nodig om weer gelijk te lopen met de
rest.
Differentiebenadering > Overbruggen van culturele verschillen.
Je gaat in gesprek met de ander en laat de verschillen verdwijnen
door ze te begrijpen en te erkennen.
Discriminatiebenadering > Tegengaan van uitsluitingen
paternalisme. Hier gaat het om dat groepen op basis van hun
achtergrond afgesteld worden.
Doelgroepsbenadering > 3-1 gecombineerd. Alle 3 de
benaderingen worden tegelijk ingezet.
Diversiteitsbenadering > verschillen en overeenkomsten tussen
mensen erkennen. Deze benadering richt zich op wat de mensen
verbindt en onderscheidt, ZONDER dat diversiteit als een probleem
wordt gezien.
Meervoudig kijken
Meervoudig kijken betekent dat je niet alleen vanuit je eigen perspectief
moet kijken, maar je ook moet kunnen verplaatsen in de perspectief van
de ander. Je hebt als pedagoog je eigen referentiekader, om de
kinderen/ouders te begrijpen moet je met ze in gesprek gaan en naar ze
luisteren. Wat jij goed vindt, kunnen anderen als slecht ervaren.
Intersectionaliteit en kruispuntdenken
, Intersectionaliteit – de theorie die uitlegt hoe verschillende
identiteiten [geslacht, geloof, huidskleur] elkaar kruisen en samen
bepalen hoe iemand wordt behandeld en wat hun ervaringen zijn.
Kruispuntdenken – De praktische manier om intersectionaliteit toe
te passen. Het helpt om beter te begrijpen waarom mensen
verschillende kansen of uitdagingen hebben door naar alle aspecten
van hun identiteit tegelijk te kijken.
Acculturatiestrategieën
Segregatie – Mensen die het belangrijk vinden om hun oude
cultuur te behouden en het lastiger vinden om zich aan te passen
aan de nieuwe cultuur.
Integratie – bij integratie behoud je je oude cultuur als dat je je
aanpast aan de nieuwe cultuur.
Assimilatie – Je gaat naar een ander land, je verliest je eigen
cultuur en je past je vooral aan de nieuwe cultuur.
Marginalisatie – je hebt weinig interesse om je te verdiepen in de
nieuwe cultuur en vindt je eigen cultuur niet interessant. Je hecht
niet veel waarde aan beide culturen
Developmental niche
Setting – Dit gaat over de omgeving waarin het kind leeft. Hoeveel
broertjes? Dit beïnvloedt de dagelijkse ervaringen van het kind. Bv.
De ruimte die het kind heeft om te spelen of de sociale interacties
die het kind heeft binnen het gezin.
Praktijken en gewoontes – Dit verwijst naar de routines en
gewoontes die het gezin heeft. Denk aan bv dagelijkse gewoontes
zoals, eten, bedtijd en de manier waarop ouders met hun kinderen
communiceren.
Psychologie van de opvoeders – Dit gaat over de opvatting en
opvoedingsdoelen van de ouders. Wat vinden zij belangrijk in de
opvoeding van hun kinderen? De opvoeddoelen kunnen beïnvloed
zijn door de cultuur waarin de ouders zijn opgegroeid en wat zij
belangrijk vinden voor de ontwikkeling van hun kinderen.
De developmental niche is een cultuur-ecologische model, wat betekent
dat het kijkt naar de manier waarop cultuur, het milieu en de
opvoedpraktijken elkaar beïnvloeden en samen de ontwikkeling van het
kind bepalen.