1.1 MB Algemene ziekteleer
Voorbereiding voor de toets
Martini (2021) H1.1 t/m 1.4 en 20.8 t/m 20.8.1
Dudink (2021) H1 t/m 1.8, 1.10, H3.1 t/m 3.3, H5.1 t/m 5.2
Maak de oefenvragen en de begrippentrainer en indien nodig extra
oefenvragen van Anatomie & Fysiologie en Pathologie voor
verpleegkundigen in MyLab: BS1 week 1 – Algemene Ziekteleer
Leerdoelen
kan uitleggen wat endogene, exogene en multifactoriële ziekteoorzaken
zijn en voorbeelden benoemen;
kan benoemen wat anamnese, lichamelijk onderzoek en differentiaal
diagnose inhouden;
kan benoemen wat de meest voorkomende aanvullende onderzoeken zijn
en wat deze inhouden;
kan uitleggen wat onder multimorbiditeit wordt verstaan en mogelijke
gevolgen hiervan benoemen.
kan begrippen die worden gebruikt om het ziekteverloop en de
behandeling te beschrijven verklaren.
Kennisclip ziekte en oorzaken
Ziekteoorzaak is dat wat ervoor zorgt dat de ziekte of aandoening tot stand komt.
Etiologie: de leer van oorzaken van aandoeningen. Oorzaken zijn endo- of
exogeen. Endogeen: Overerving (van binnenuit) Exogeen: (van buitenaf)
o Infectie
o Fysische factoren door bijvoorbeeld letsel
o Chemische stoffen door bijvoorbeeld drugs
o Voeding gerelateerde factoren door bijvoorbeeld te veel vet te eten ->
diabetes type 2.
Risicofactoren vergroten de kans op aandoening of ziekte, kunnen aanwezig zijn
zonder echt te lijden tot ziekte. Endogene risicofactoren -> Leeftijd, geslacht,
erfelijke factoren, overgewicht (verhoogde kans op diabetes type 2 en
hypertensie) en andere aandoeningen. Exogene risicofactoren -> Fysische
factoren (geluid, verlichting en straling), chemische stoffen (asbestvezels zorgt
voor borstvlies kanker), stressfactoren (door psychosociale problemen;
veroorzaakt vaker infecties en psychiatrische aandoeningen) en leefstijlfactoren.
Idiopathische aandoening: onbekende oorzaak bij bijvoorbeeld dementie.
Iatrogene aandoening: ontstaan ten gevolge van ingreep. Congenitale
aandoening: aangeboren of ontstaan tijdens de zwangerschap. Pathogenese is de
reactie van het lichaam op de oorzaak. Reacties van het lichaam zijn als volgt:
o Inflammatie is een ontsteking als reactie op infectie met een bacterie,
virus of schimmel en/of een ontsteking veroorzaakt door irritatie.
,Kennislabs periode 1
o Abnormale activiteit van het immuunsysteem bijvoorbeeld bij allergieën of
immuunziekten
o Neoplasma (nieuwvorming) bijvoorbeeld bij tumoren
o Ischemie is tekort aan doorbloeding (hartinfarct)
o Metabole stoornissen: hierbij is een metabole stofwisseling op celniveau
verstoort
o Degeneratie: afnemen van functie door ouderdom of slijtage
Kennisclip terminologie behandeling en ziekteverloop
Manieren om behandelingen te beschrijven:
o Curatief is gericht op genezing (antibiotica) - palliatief is gericht op
kwaliteit van leven en comfort (geen genezing meer mogelijk)
(pijnbestrijding bij bijvoorbeeld kanker, MS en dementie)
o Causaal is gericht op de oorzaak van de ziekte (afvallen want patiënt heeft
door overgewicht diabetes) – symptomatisch is gericht op de
verschijnselen van de ziekte (neusspray bij verkoudheid)
o Substitutie betekent vervaging ofwel medicijnen die je lichaamseigen
stoffen vervangen zoals hormonen (insuline bij diabetes)
o Complementair betekent aanvullend; deze behandelingen zijn vaak
ondersteunend (psychosociale begeleiding bij iemand met kanker.
o Alternatief zijn behandelingen waarvan het nut niet wetenschappelijk is
bewezen (accupuntuur)
Manieren om het ziekteverloop te beschrijven:
o Prognose is een voorspelling over hoe een ziekte zal lopen dit kan aan de
hand van kenmerken van de ziekte.
o Acuut (infectie) – chronisch betekent langdurig (COPD, diabetes en kanker)
o Remissie is wanneer een chronische ziekte zich in een rust fase bevindt. –
exacerbatie zijn periodes in een chronische ziekte waar de klachten weer
opspelen.
o Recidief is wanneer het lijkt alsof de ziekte weg is maar dat is hij niet
(kanker)
o Complicatie zijn ongewenste gebeurtenissen (bloeding na een operatie)
o Restverschijnselen (blijvende verlamming na een herseninfarct) ; deze
hebben veel invloed op de kwaliteit van leven.
o Terminaal betekent een levensverwachting korter dan drie maanden.
Kennisclip overerving
Menselijk celkernen bevatten 46 paar chromosomen waarvan 22 paar autosomen
en 1 paar geslachtschromosomen. Zuster chromatiden zijn identiek aan elkaar.
Een gen bevat de informatie om een e
,Kennislabs periode 1
iwit te vormen. Wanneer een gen een foutieve code bevat voor een eiwit kan dit
leiden tot ziekten. Autosomaal recessieve overerving is recessief vs dominant
(TaaiSlijmZiekte) -> komt alleen tot uiting bij twee recessieve allelen. (jongens en
meiden hebben evenveel kans) Autosomaal dominante overerving (ziekte van
Huntington en geslacht maakt niet uit) Geslachtsgebonden recessieve overerving
(Rood-groen kleurenblindheid en is X-gebonden) Geslachtsgebonden dominante
overerving is zeldzaam.
Polygenetisch: bij vorming van een cel eiwit kunnen meerdere genen betrokken
zijn. Multifactorieel: beïnvloed door omgevingsfactoren.
Kennisclip diagnostiek
Diagnostiek is het verstellen van een diagnose op grond van verschijnselen en
diverse onderzoeken.
1. Anamnese is een vraaggesprek over de medische voorgeschiedenis.
o Speciële anamnese -> vraagt de klacht uit (wat, waar en wanneer)
o Algemene anamnese -> algemene gegevens (contactgegevens,
medische voor geschiedenis en gebruikte medicijnen)
o Heteroanamnese -> uitvragen van gegevens via iemand anders
over de patiënt
2. Lichamelijk onderzoek / LO
o Inspectie is het bekijken en observeren
o Auscultatie is het luisteren naar bijvoorbeeld de longen
o Percussie is het kloppen
o Palpatie is het voelen
o Controles
3. Differentiaal diagnose / DD is een lijst op grond van anamnese en LO
gerangschikt op waarschijnlijkheid (op basis van hoe vaak een ziekte
voorkomt en de persoonlijke gegevens van de patiënt).
Comorbiditeit zijn twee diagnoses
4. Aanvullend onderzoek
o Laboratoriumonderzoek
o Beeldvormend onderzoek
o Functie onderzoek
o Pathologisch-anatomisch onderzoek
Kennisclip aanvullende onderzoeken
Verpleegkundige diagnose en medische diagnose wordt door een arts gesteld.
Aanvullende onderzoeken zijn allerlei verschillende gerichte onderzoeken, die
alles bij elkaar specifieke informatie opleveren voor een diagnose.
Beeldvormend onderzoek:
o Röntgenfoto m.b.v. röntgenstraling voor een ontsteking
, Kennislabs periode 1
o CT-scan m.b.v. röntgenstraling voor tumoren
o MRI-scan m.b.v. sterk magneetveld voor tumoren
o Echo m.b.v. geluidsgolven voor zwangerschap
o PET-scan m.b.v. radioactieve stoffen voor de activiteit van ontsteking of
tumor
o Endoscoop: met een buis-camera in het lichaam kijken voor poliepen of
zweren
Functieonderzoek
o Elektrocardiografie (ECG) door elektrische stroompjes voor de elektrische
activiteit van het hart
o Elektro-encephalografie (EEG) door elektronen op het hoofd voor de
elektrische hersenactiviteit
o Longfunctieonderzoek hoe snel, veel en goed er wordt geademt
o Pathologisch-anatomisch onderzoek is het onderzoek van weefsel
afkomstig van een punctie of operatie
1.2 ALG
-
1.3 KR
Leerdoelen
uitleggen wat het vak klinisch redeneren in grote lijnen inhoud
benoemen wat kritisch denken is en waarom dat belangrijk is voor
verpleegkundigen.
Kritisch denken is een omschrijving van feiten en observaties, dus niet iets
subjectiefs. Hypo is een lage suiker.
1.4 MB
Voorbereiding voor de toets
Martini (2021) H3.1, 3.5 t/m 3.8 (De cel)
Martini (2021) H2.3 en 2.4 (Metabolisme en enzymen)
Martini (2021) H3.2 t/m 3.4 (Celmembraantransport)
Martini (2021) hoofdstuk H1.7 en 6.10.1 (Anatomische terminologie en
richting aanduidingen).
Maak de toetsvragen en indien nodig de extra oefenvragen Anatomie en
Fysiologie in Mylab. BS1 - week 2 - Celstructuur en functies
Leerdoelen