9.1 Wat is gedrag?
Gedrag is alles wat een dier doet. Nadat je weet wat een dier doet, kan je vragen waarom:
Motivatie en fitness
Het centrale zenuwstelsel bestuurt organen na het krijgen van uitwendige of inwendige prikkels.
Meestal moeten beide aanwezig zijn. De inwendige toestand bepaalt meestal de motivatie.
De functies van gedrag zijn:
• de eigen overlevingskansen vergroten
• voor nakomelingschap zorgen en de kans op nakomelingen vergroten
• de nakomelingen verzorgen of beschermen
Fitness is de mate waarin genen door worden gegeven aan het nageslacht. Zo zijn er vogels die eerst
hun ouders helpen bij het verzorgen (indirecte nakomelingen). Daarna gaan ze zichzelf voortplanten
(directe nakomelingen). Dit vergroot hun fitness 2x: eerst helpen ze hun broertjes en zusjes met 50%
dezelfde genen. Daarna zijn ze ervaren en hebben hun eigen kinderen betere overlevingskansen.
Gedragsonderzoek
Gedragsonderzoek bestaat uit drie delen: het ethorgram, observeren en experimenteren.
Het ethogram
Door ieder gedragselement een code te geven, kan je snel het gedrag beschrijven. Een ethogram is
een gecodeerde beschrijving van het gedrag van een dier in een bepaalde situatie.
Observeren
Een deel van ethologisch onderzoek is observeren en beschrijven.
Experimenten
Ethologische experimenten hoeft niet in een hokje te zijn. De experimenten kunnen ook bestaan uit
het draaien van een bandje met kreten van een soortgenoot en kijken hoe het dier reageert.
Gedragssystemen
Men spreekt van gedragssystemen als het gaat over reeksen van handelingen die met elkaar
samenhangen, en die hetzelfde doel dienen.
Het zingen van een vogel behoort tot het voortplantingsgedrag. Maar het behoort ook tot het
territoriumgedrag. Een ander mannetje zal wegvliegen, of ook gaan zingen. Het wegvliegen kan
behoren tot vluchtgedrag. Dezelfde handelingen kunnen bij verschillende gedragssystemen horen.
Conflictsituaties
Meerdere gedragssystemen kunnen tegelijk worden opgewekt, waardoor het dier in een
conflictsituatie komt. Een conflictsituatie kan een dier op drie manieren 'oplossen':
• Ambivalent gedrag: beide systemen zijn even sterk en er ontstaat een afwisseling. Een voorbeeld
is een dier dat op de grens van zijn territorium afwisselend aanvalt en vlucht.
• Omgericht gedrag: vogels die in grond pikken in plaats van elkaar of iemand die met de vuist op
tafel slaat in plaats van op degene waar hij kwaad op is.
• Overspronggedrag: gedrag waarbij het dier iets volstrekt zinloos doet om zich uit de
conflictsituatie te redden; zoals vechtende vogels die plotseling hun veren gaan poetsen.
, 9.2 Leren
Het eenvoudigste aangeboren gedrag is de reflex, waarbij de impuls bijna direct overspringt van een
sensorische naar een motorische zenuw. Reflexen zijn automatisch.
Ingewikkelder aangeboren gedrag is instinct. Gedrag dat vrij automatisch wordt uitgevoerd en waar
geen leerproces aan te pas komt. Het is meestal een doelmatige reactie op een prikkel.
De graafwesp
De vrouwelijke graafwesp komt in de lente uit haar pop. Zij moet in haar korte leven een prooi
vangen, verdoven en in een zelf gegraven holletje brengen, daarin ook haar ei afzetten en vervolgens
nog een paar keer eten brengen voor de larve. Een ingewikkeld gedragspatroon, dat ze van niemand
kan leren en waarin ze zich geen experimenten kan veroorloven.
De wolf
Bij een wolvenjong duurt het twee jaar voordat hij zijn instinctieve neigingen goed kan gebruiken. Dit
leren gebeurt door nadoen en spelen. De ontwikkeling van gedragspatronen is het resultaat van het
overgeërfde zenuwstelsel. Sommige honden vertonen nog de gedragskenmerken voor het werk van
hun voorouders, ook al worden ze er niet meer voor getraind.
Sleutelprikkels
Aangeboren gedrag begint niet vanzelf. Bijv. bij voortplantingsgedrag: dit gebeurt alleen met veel
geslachtshormonen. Ook moet er vaak een bepaald signaal uit de omgeving zijn: een sleutelprikkel.
Een sleutelprikkel brengt een automatische reactie op gang. Het stekelbaarsmannetje reageert
bijvoorbeeld op de rode buik. Een vijandige stekelbaars hoeft niet eens op een vis te lijken. Hoe
roder, hoe agressiever de aanval. De buik van een stekelbaarsmannetje is een sleutelprikkel.
Extreem hoge reactiebereidheid kan foutieve reacties veroorzaken. Extreme reactiebereidheid voor
sleutelprikkels heeft grote adaptieve waarde, vooral bij afhankelijkheid voor overgeërfd gedrag.
Adaptieve waarde = vergroting van de overlevingskans of voortplantingssucces.
Supranormale prikkels
Wanneer sleutelprikkels worden aangeboden, die sterker zijn dan normaal, heten deze
supranormale prikkels. Het dier reageert daar nog sterker op.
Voor vogels is een ei de sleutelprikkel om te gaan broeden; een groot ei werkt als een supranormale
prikkel. De koekoek legt haar ei in het nest van een kleinere vogel. Het koekoeksjong komt eerder uit
en het werkt de kleine eitjes uit het nest. Hij blijft over en spert telkens zijn bek open. Deze bek
werkt ook weer als supranormale prikkel: de pleegouders blijven voeren.
Klassiek conditioneren en gewenning
Leren = gedragsverandering door ervaringen. Ook aangeboren gedrag kan door leerprocessen
veranderen. Leren kan op verschillende manieren: door conditionering en door gewenning.
Gewenning
Bij gewenning leert het dier uit ervaring, zonder dat er een nieuwe reflex ontstaat. Gewenning is ook
vaak het afleren: als een dier merkt dat een gevaarlijk signaal geen echt gevaar betekent, zal het er
niet meer op reageren.
Conditioneren
Gedrag is alles wat een dier doet. Nadat je weet wat een dier doet, kan je vragen waarom:
Motivatie en fitness
Het centrale zenuwstelsel bestuurt organen na het krijgen van uitwendige of inwendige prikkels.
Meestal moeten beide aanwezig zijn. De inwendige toestand bepaalt meestal de motivatie.
De functies van gedrag zijn:
• de eigen overlevingskansen vergroten
• voor nakomelingschap zorgen en de kans op nakomelingen vergroten
• de nakomelingen verzorgen of beschermen
Fitness is de mate waarin genen door worden gegeven aan het nageslacht. Zo zijn er vogels die eerst
hun ouders helpen bij het verzorgen (indirecte nakomelingen). Daarna gaan ze zichzelf voortplanten
(directe nakomelingen). Dit vergroot hun fitness 2x: eerst helpen ze hun broertjes en zusjes met 50%
dezelfde genen. Daarna zijn ze ervaren en hebben hun eigen kinderen betere overlevingskansen.
Gedragsonderzoek
Gedragsonderzoek bestaat uit drie delen: het ethorgram, observeren en experimenteren.
Het ethogram
Door ieder gedragselement een code te geven, kan je snel het gedrag beschrijven. Een ethogram is
een gecodeerde beschrijving van het gedrag van een dier in een bepaalde situatie.
Observeren
Een deel van ethologisch onderzoek is observeren en beschrijven.
Experimenten
Ethologische experimenten hoeft niet in een hokje te zijn. De experimenten kunnen ook bestaan uit
het draaien van een bandje met kreten van een soortgenoot en kijken hoe het dier reageert.
Gedragssystemen
Men spreekt van gedragssystemen als het gaat over reeksen van handelingen die met elkaar
samenhangen, en die hetzelfde doel dienen.
Het zingen van een vogel behoort tot het voortplantingsgedrag. Maar het behoort ook tot het
territoriumgedrag. Een ander mannetje zal wegvliegen, of ook gaan zingen. Het wegvliegen kan
behoren tot vluchtgedrag. Dezelfde handelingen kunnen bij verschillende gedragssystemen horen.
Conflictsituaties
Meerdere gedragssystemen kunnen tegelijk worden opgewekt, waardoor het dier in een
conflictsituatie komt. Een conflictsituatie kan een dier op drie manieren 'oplossen':
• Ambivalent gedrag: beide systemen zijn even sterk en er ontstaat een afwisseling. Een voorbeeld
is een dier dat op de grens van zijn territorium afwisselend aanvalt en vlucht.
• Omgericht gedrag: vogels die in grond pikken in plaats van elkaar of iemand die met de vuist op
tafel slaat in plaats van op degene waar hij kwaad op is.
• Overspronggedrag: gedrag waarbij het dier iets volstrekt zinloos doet om zich uit de
conflictsituatie te redden; zoals vechtende vogels die plotseling hun veren gaan poetsen.
, 9.2 Leren
Het eenvoudigste aangeboren gedrag is de reflex, waarbij de impuls bijna direct overspringt van een
sensorische naar een motorische zenuw. Reflexen zijn automatisch.
Ingewikkelder aangeboren gedrag is instinct. Gedrag dat vrij automatisch wordt uitgevoerd en waar
geen leerproces aan te pas komt. Het is meestal een doelmatige reactie op een prikkel.
De graafwesp
De vrouwelijke graafwesp komt in de lente uit haar pop. Zij moet in haar korte leven een prooi
vangen, verdoven en in een zelf gegraven holletje brengen, daarin ook haar ei afzetten en vervolgens
nog een paar keer eten brengen voor de larve. Een ingewikkeld gedragspatroon, dat ze van niemand
kan leren en waarin ze zich geen experimenten kan veroorloven.
De wolf
Bij een wolvenjong duurt het twee jaar voordat hij zijn instinctieve neigingen goed kan gebruiken. Dit
leren gebeurt door nadoen en spelen. De ontwikkeling van gedragspatronen is het resultaat van het
overgeërfde zenuwstelsel. Sommige honden vertonen nog de gedragskenmerken voor het werk van
hun voorouders, ook al worden ze er niet meer voor getraind.
Sleutelprikkels
Aangeboren gedrag begint niet vanzelf. Bijv. bij voortplantingsgedrag: dit gebeurt alleen met veel
geslachtshormonen. Ook moet er vaak een bepaald signaal uit de omgeving zijn: een sleutelprikkel.
Een sleutelprikkel brengt een automatische reactie op gang. Het stekelbaarsmannetje reageert
bijvoorbeeld op de rode buik. Een vijandige stekelbaars hoeft niet eens op een vis te lijken. Hoe
roder, hoe agressiever de aanval. De buik van een stekelbaarsmannetje is een sleutelprikkel.
Extreem hoge reactiebereidheid kan foutieve reacties veroorzaken. Extreme reactiebereidheid voor
sleutelprikkels heeft grote adaptieve waarde, vooral bij afhankelijkheid voor overgeërfd gedrag.
Adaptieve waarde = vergroting van de overlevingskans of voortplantingssucces.
Supranormale prikkels
Wanneer sleutelprikkels worden aangeboden, die sterker zijn dan normaal, heten deze
supranormale prikkels. Het dier reageert daar nog sterker op.
Voor vogels is een ei de sleutelprikkel om te gaan broeden; een groot ei werkt als een supranormale
prikkel. De koekoek legt haar ei in het nest van een kleinere vogel. Het koekoeksjong komt eerder uit
en het werkt de kleine eitjes uit het nest. Hij blijft over en spert telkens zijn bek open. Deze bek
werkt ook weer als supranormale prikkel: de pleegouders blijven voeren.
Klassiek conditioneren en gewenning
Leren = gedragsverandering door ervaringen. Ook aangeboren gedrag kan door leerprocessen
veranderen. Leren kan op verschillende manieren: door conditionering en door gewenning.
Gewenning
Bij gewenning leert het dier uit ervaring, zonder dat er een nieuwe reflex ontstaat. Gewenning is ook
vaak het afleren: als een dier merkt dat een gevaarlijk signaal geen echt gevaar betekent, zal het er
niet meer op reageren.
Conditioneren