14.1 De ontdekking van de bloedsomloop
Volgens Erasistratos vervoerden zenuwen de 'spiritus animalis', slagaders de 'spiritus vitalis' en aders
het 'bloed met stoffen'. Op welke manier het vervoer gebeurde, wist hij niet. Hij paste als eerste bij
zieken de aderlating (bloedaftapping) toe.
Galenus dacht dat de lever de 'spiritus naturalis' was, het hart de 'spiritus vitalis'
en de hersenen de 'spiritus animalis'. Hij toonde als eerste aan dat bloedvaten
bloed vervoeren en geen lucht.
Onze huidige kennis is gebaseerd op het werk van Andreas Vesalius. In 1543
publiceerde boeken met zeer duidelijke platen van het bloedvatenstelsel,
zenuwen, spieren en inwendige organen. Vesalius was niet de enige of de eerste
die publiceerde over bloedvaten. Maar nog steeds had hij geen inzicht in de
bloedcirculatie zelf.
In 1628 de Engelsman William Harvey de theorie over de dubbele bloedsomloop. Overigens dacht
Harvey ook nog steeds dat de geest in het bloed zetelde. Het duurde nog lang tot Harvey's theorie
over de gesloten bloedsomloop algemeen aanvaard werd.
14.2 Functies van het circulatiestelsel
Het transport van cel naar cel gebeurt door diffusie, osmose of actief transport. Om stoffen efficiënt
te transporteren, beschikt het lichaam over een circulatiestelsel. Dat bestaat uit twee vaatsystemen:
het bloedvatenstelsel en het lymfatisch stelsel.
Het bloedvatenstelsel bestaat uit het bloed, het hart en de bloedvaten. Het lymfatisch stelsel bestaat
uit lymfe, lymfevaten en lymfatisch weefsel. Het ondersteunt het bloedvatenstelsel en speelt een
belangrijke rol bij de verversing van weefselvloeistof en de afweer.
Het bloedvatenstelsel heeft de volgende vijf functies:
1. Aanvoer voedingsstoffen: van maagdarmkanaal via darmwand naar bloed, naar de organen
en weefsels
2. Afvoer afvalstoffen: van organen en weefsels naar bloed en lymfe naar uitscheidingsorganen
3. Transport van gassen: bloed vervoert zuurstof vanuit de longen naar de weefsels en
koolstofdioxide vanuit de weefsels naar de longen
4. Transport van hormonen en beschermende stoffen. Hormoonklieren geven hormonen af
aan het bloed, dat ze naar de plaats van bestemming vervoert. Ook worden beschermende
stoffen verspreid. Het lymfatisch stelsel speelt hierbij een grote rol
5. Verspreiding van warmte. Het bloed zorgt voor de verspreiding en afvoer van warmte
, 14.3 Bloed
Een mens heeft ongeveer 5 liter bloed. Bloed
bestaat uit bloedcellen die in een waterige
tussencelstof rondzweven.
Bloedplasma
Bloedplasma bestaat voor 91% uit water. Water
fungeert als warmtebuffer; het kan makkelijk
warmte opnemen en afgeven zonder zelf veel van
temperatuur te veranderen. De tweede
belangrijke functie van water is die van
oplosmiddel. Afvoer van water vindt plaats via de
nieren, de huid, de longen en de ontlasting.
De bloedeiwitten in bloedplasma zijn albuminen,
fibrinogeen en globulinen.
Bloedplasma bestaat voor 1% uit opgeloste
zouten, zoals natrium, kalium en calcium. Deze
worden aangevuld uit het spijsverteringskanaal.
Afvoer van zouten gaat via nieren en huid. De verhouding moet constant blijven (homeostase). Het
bloedplasma heeft een constante osmotische waarde die door de zouten op peil wordt gehouden.
De osmotische waarde van bloed en weefselvocht is 0,9% NaCl. Carbonaationen (HCO3-) komen in
hoge concentratie voor. In deze vorm wordt koolstofdioxide vervoerd.
Bloedplasma vervoert bloedgassen: opgelost zuurstof, koolstofdioxide en stikstof. Stikstofgas wordt
door diffusie uit ingeademde lucht in het bloedplasma opgenomen. We ademen het ongebruikt uit.
Het bloedplasma bevat ook stoffen die tijdelijk en in wisselende hoeveelheden aanwezig zijn. Dit zijn
gassen en voedingsstoffen uit het spijsverteringskanaal, uit voorraadplaatsen en de afvalstoffen.
Regulerende stoffen als hormonen en vitamines zijn ook tijdelijk in het bloed aanwezig.
Bloedeiwitten
Het bloedplasma bevat een groot aantal verschillende bloedeiwitten. Deze worden voornamelijk in
de lever aangemaakt en na verloop van tijd daar ook weer afgebroken. Bloedeiwitten:
• bepalen de viscositeit (mate van stroperigheid) van het bloed
• werken als buffer voor de zuurgraad. Zij houden de pH van het bloed constant
• handhaven de osmotische waarde
Bloedeiwitten Vorm Functies
Albumine (50%) langgerekt handhaving colloïd-osmotische waarde
(eiwitten zijn colloïdaal opgelost)
fibrinogeen groot bloedstolling
bloedplasma zonder fibrinogeen heet serum en is onstolbaar. Dit
wordt gebruik bij bloedtransfusies
globuline bolvormig transport, afweer (immunoglobuline zijn antistoffen)
Volgens Erasistratos vervoerden zenuwen de 'spiritus animalis', slagaders de 'spiritus vitalis' en aders
het 'bloed met stoffen'. Op welke manier het vervoer gebeurde, wist hij niet. Hij paste als eerste bij
zieken de aderlating (bloedaftapping) toe.
Galenus dacht dat de lever de 'spiritus naturalis' was, het hart de 'spiritus vitalis'
en de hersenen de 'spiritus animalis'. Hij toonde als eerste aan dat bloedvaten
bloed vervoeren en geen lucht.
Onze huidige kennis is gebaseerd op het werk van Andreas Vesalius. In 1543
publiceerde boeken met zeer duidelijke platen van het bloedvatenstelsel,
zenuwen, spieren en inwendige organen. Vesalius was niet de enige of de eerste
die publiceerde over bloedvaten. Maar nog steeds had hij geen inzicht in de
bloedcirculatie zelf.
In 1628 de Engelsman William Harvey de theorie over de dubbele bloedsomloop. Overigens dacht
Harvey ook nog steeds dat de geest in het bloed zetelde. Het duurde nog lang tot Harvey's theorie
over de gesloten bloedsomloop algemeen aanvaard werd.
14.2 Functies van het circulatiestelsel
Het transport van cel naar cel gebeurt door diffusie, osmose of actief transport. Om stoffen efficiënt
te transporteren, beschikt het lichaam over een circulatiestelsel. Dat bestaat uit twee vaatsystemen:
het bloedvatenstelsel en het lymfatisch stelsel.
Het bloedvatenstelsel bestaat uit het bloed, het hart en de bloedvaten. Het lymfatisch stelsel bestaat
uit lymfe, lymfevaten en lymfatisch weefsel. Het ondersteunt het bloedvatenstelsel en speelt een
belangrijke rol bij de verversing van weefselvloeistof en de afweer.
Het bloedvatenstelsel heeft de volgende vijf functies:
1. Aanvoer voedingsstoffen: van maagdarmkanaal via darmwand naar bloed, naar de organen
en weefsels
2. Afvoer afvalstoffen: van organen en weefsels naar bloed en lymfe naar uitscheidingsorganen
3. Transport van gassen: bloed vervoert zuurstof vanuit de longen naar de weefsels en
koolstofdioxide vanuit de weefsels naar de longen
4. Transport van hormonen en beschermende stoffen. Hormoonklieren geven hormonen af
aan het bloed, dat ze naar de plaats van bestemming vervoert. Ook worden beschermende
stoffen verspreid. Het lymfatisch stelsel speelt hierbij een grote rol
5. Verspreiding van warmte. Het bloed zorgt voor de verspreiding en afvoer van warmte
, 14.3 Bloed
Een mens heeft ongeveer 5 liter bloed. Bloed
bestaat uit bloedcellen die in een waterige
tussencelstof rondzweven.
Bloedplasma
Bloedplasma bestaat voor 91% uit water. Water
fungeert als warmtebuffer; het kan makkelijk
warmte opnemen en afgeven zonder zelf veel van
temperatuur te veranderen. De tweede
belangrijke functie van water is die van
oplosmiddel. Afvoer van water vindt plaats via de
nieren, de huid, de longen en de ontlasting.
De bloedeiwitten in bloedplasma zijn albuminen,
fibrinogeen en globulinen.
Bloedplasma bestaat voor 1% uit opgeloste
zouten, zoals natrium, kalium en calcium. Deze
worden aangevuld uit het spijsverteringskanaal.
Afvoer van zouten gaat via nieren en huid. De verhouding moet constant blijven (homeostase). Het
bloedplasma heeft een constante osmotische waarde die door de zouten op peil wordt gehouden.
De osmotische waarde van bloed en weefselvocht is 0,9% NaCl. Carbonaationen (HCO3-) komen in
hoge concentratie voor. In deze vorm wordt koolstofdioxide vervoerd.
Bloedplasma vervoert bloedgassen: opgelost zuurstof, koolstofdioxide en stikstof. Stikstofgas wordt
door diffusie uit ingeademde lucht in het bloedplasma opgenomen. We ademen het ongebruikt uit.
Het bloedplasma bevat ook stoffen die tijdelijk en in wisselende hoeveelheden aanwezig zijn. Dit zijn
gassen en voedingsstoffen uit het spijsverteringskanaal, uit voorraadplaatsen en de afvalstoffen.
Regulerende stoffen als hormonen en vitamines zijn ook tijdelijk in het bloed aanwezig.
Bloedeiwitten
Het bloedplasma bevat een groot aantal verschillende bloedeiwitten. Deze worden voornamelijk in
de lever aangemaakt en na verloop van tijd daar ook weer afgebroken. Bloedeiwitten:
• bepalen de viscositeit (mate van stroperigheid) van het bloed
• werken als buffer voor de zuurgraad. Zij houden de pH van het bloed constant
• handhaven de osmotische waarde
Bloedeiwitten Vorm Functies
Albumine (50%) langgerekt handhaving colloïd-osmotische waarde
(eiwitten zijn colloïdaal opgelost)
fibrinogeen groot bloedstolling
bloedplasma zonder fibrinogeen heet serum en is onstolbaar. Dit
wordt gebruik bij bloedtransfusies
globuline bolvormig transport, afweer (immunoglobuline zijn antistoffen)