24.1 Landbouw en veeteelt
Moderne landbouw
Een groot gebied dat beplant is met één soort gewas noem je een monocultuur. Ze zijn economisch
gunstig, maar voor de omringende natuurlijke ecosystemen vaak ongunstig. Het voedselaanbod is
heel groot en er zijn geen natuurlijke vijanden. De kans op een plaag of op een ziekte is heel groot.
Chemische bestrijdingsmiddelen
Chemische bestrijdingsmiddelen heten pesticiden. Herbiciden zijn onkruidbestrijdingsmiddelen.
Insecten worden bestreden met insecticiden. Tegen schimmels worden fungiciden gebruikt. De
meeste middelen zijn contactbestrijdingsmiddelen.
Systemische bestrijdingsmiddelen worden niet gespoten, maar in de groeiende plant aangebracht of
in het zaad. Bij het ontkiemen trekt het gif in de zaadlobben en wordt het in de plant opgenomen.
Systemische middelen maken de hele plant giftig. Het voordeel is dat er niet of minder gespoten
hoeft te worden. Een nadeel is dat als er geen sapstroom (geen groei) in de plant is, dan het middel
ook niet verdeeld wordt binnenin de plant en het geconcentreerd in de grond blijft. Een ander
nadeel: het gif komt ook in onschadelijke of nuttige insecten. Het gaat dan met name over
neonicotinoïden. Neonicotinoïden dragen waarschijnlijk bij aan de sterfte.
Er kleven drie grote nadelen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen:
1. De meeste middelen zijn niet soortspecifiek. De plaag komt vaak terug als het middel is
uitgewerkt.
2. De middelen zijn soms persistent. Dat wil zeggen dat ze niet of nauwelijks afbreekbaar zijn.
Dieren die het eten, slaan de stoffen in hun lichaam op. Via voedselketens hoopt het op.
3. Het plaagorganisme wordt resistent voor het bestrijdingsmiddel. Door een mutatie wordt een
klein deel van de populatie ongevoelig en kan zich snel voortplanten. Resistentie is de reden dat
er voortdurend naar nieuwe bestrijdingsmiddelen moet worden gezocht.
Afspraken
Persistente middelen worden niet meer toegelaten. Zeer giftige middelen mogen alleen onder
bepaalde voorwaarden gebruikt worden.
Biologische bestrijdingsmethodes
Plagen kunnen ook bestreden worden met alternatieve methodes:
1. Het inschakelen van de natuurlijke vijand (predator) van de veroorzaker van de plaag.
2. Een gekweekte natuurlijke vijand
3. Het weglokken van de mannetjes met de lokstoffen (feromonen) van de vrouwtjes.
4. Rondspuiten van hormoonpreparaten, waardoor de insecten op het verkeerde moment gaan
vervellen.
5. Het gebruik van plantaardige producten: botanische insecticiden. Veel planten verdedigen
zich tegen insectenvraat door gifstoffen te produceren. Die stoffen kunnen als chemisch
bestrijdingsmiddel worden gebruikt. Maar er zijn plantaardige gifstoffen die soortspecifiek
zijn en daardoor in een biologisch bestrijdingsprogramma passen.
6. Het toepassen van wisselteelt.
Geïntegreerde bestrijding
Geregeld wordt er gekozen voor geïntegreerde gewasbescherming: biologische bestrijding in
combinatie met chemische. Als dan ook nog water en voedingsstoffen zo nauwkeurig mogelijk
worden toegediend, kan men spreken van ‘precisielandbouw’.
, 24.2 Bemesting
Akkerbodems verarmen, doordat samen met de oogst veel anorganische stoffen aan de bodem
worden onttrokken. Zo ontstaat op den duur een tekort aan mineralen. Daarom moeten akkers
worden bemest. Dat gebeurt nog steeds vaak met stalmest.
Stalmest verschilt van kunstmest, doordat het vooral organische stoffen bevat; kunstmest bestaat
alleen uit mineralen (anorganische stoffen). Stalmest bevat ook mineralen, maar gebonden in
organische verbindingen en in wisselende hoeveelheden. Stalmest heeft als voordeel dat de
humuslaag dikker wordt. Kunstmest verrijkt de bodem direct en in precies bekende verhoudingen.
Intensieve veehouderij
In Nederland hebben we te maken met intensieve veehouderij. Er is onvoldoende grondoppervlak. Er
wordt daarom veel geïmporteerd.
De stikstofverbindingen in de mest worden door bepaalde bacteriën omgezet in ammoniak. Dit gas
vormt met zwaveldioxide in de lucht ammoniumsulfaat. Via de regen komt deze stof weer in de
bodem, waar nitrificerende bacteriën het ammonium omzetten in nitraat. Bij deze omzetting komen
zure stoffen vrij.
Stallen moeten daarom tegenwoordig zó gebouwd worden dat er geen ammoniak in de lucht komt.
Het uitrijden van mest mag in de maanden waarin de planten de meststoffen snel kunnen opnemen.
Overbemesting
De niet opgenomen meststoffen lossen op in het water. Dit water komt in sloten en lagergelegen
delen rondom de akkers (uitspoeling). Water en bodem worden zo verrijkt (eutrofiëring).
In eutroof water kunnen algen snel groeien: waterbloei. Het gevolg is dat er geen licht op de bodem
komt en de waterplanten doodgaan. De algen sterven ook, zo is er veel organische stof. Het
zuurstofgehalte neemt af, doordat er geen waterplanten meer zijn en het aantal reducenten
toeneemt. De reducenten breken organische stoffen af en hebben daar zuurstof bij nodig. Zonder
zuurstof gaan ook de vissen dood. De meststoffen kunnen ook uitspoelen naar natuurgebieden. Veel
planten en ook kleine diertjes kunnen niet tegen eutrofiëring.
Men probeert overbemestingsproblemen op verschillende manieren op te lossen:
1. In de periode dat er geen planten op een akker staan, mag er geen mest worden gestrooid of
uitgereden.
2. Boerenbedrijven hebben het mestquotum: ze moeten voldoende land hebben om de mest
zonder schade uit te rijden, of anders een overeenkomst sluiten met akkerbouwers. Hoeveel
mest ze produceren, moet worden bijgehouden.
Moderne landbouw
Een groot gebied dat beplant is met één soort gewas noem je een monocultuur. Ze zijn economisch
gunstig, maar voor de omringende natuurlijke ecosystemen vaak ongunstig. Het voedselaanbod is
heel groot en er zijn geen natuurlijke vijanden. De kans op een plaag of op een ziekte is heel groot.
Chemische bestrijdingsmiddelen
Chemische bestrijdingsmiddelen heten pesticiden. Herbiciden zijn onkruidbestrijdingsmiddelen.
Insecten worden bestreden met insecticiden. Tegen schimmels worden fungiciden gebruikt. De
meeste middelen zijn contactbestrijdingsmiddelen.
Systemische bestrijdingsmiddelen worden niet gespoten, maar in de groeiende plant aangebracht of
in het zaad. Bij het ontkiemen trekt het gif in de zaadlobben en wordt het in de plant opgenomen.
Systemische middelen maken de hele plant giftig. Het voordeel is dat er niet of minder gespoten
hoeft te worden. Een nadeel is dat als er geen sapstroom (geen groei) in de plant is, dan het middel
ook niet verdeeld wordt binnenin de plant en het geconcentreerd in de grond blijft. Een ander
nadeel: het gif komt ook in onschadelijke of nuttige insecten. Het gaat dan met name over
neonicotinoïden. Neonicotinoïden dragen waarschijnlijk bij aan de sterfte.
Er kleven drie grote nadelen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen:
1. De meeste middelen zijn niet soortspecifiek. De plaag komt vaak terug als het middel is
uitgewerkt.
2. De middelen zijn soms persistent. Dat wil zeggen dat ze niet of nauwelijks afbreekbaar zijn.
Dieren die het eten, slaan de stoffen in hun lichaam op. Via voedselketens hoopt het op.
3. Het plaagorganisme wordt resistent voor het bestrijdingsmiddel. Door een mutatie wordt een
klein deel van de populatie ongevoelig en kan zich snel voortplanten. Resistentie is de reden dat
er voortdurend naar nieuwe bestrijdingsmiddelen moet worden gezocht.
Afspraken
Persistente middelen worden niet meer toegelaten. Zeer giftige middelen mogen alleen onder
bepaalde voorwaarden gebruikt worden.
Biologische bestrijdingsmethodes
Plagen kunnen ook bestreden worden met alternatieve methodes:
1. Het inschakelen van de natuurlijke vijand (predator) van de veroorzaker van de plaag.
2. Een gekweekte natuurlijke vijand
3. Het weglokken van de mannetjes met de lokstoffen (feromonen) van de vrouwtjes.
4. Rondspuiten van hormoonpreparaten, waardoor de insecten op het verkeerde moment gaan
vervellen.
5. Het gebruik van plantaardige producten: botanische insecticiden. Veel planten verdedigen
zich tegen insectenvraat door gifstoffen te produceren. Die stoffen kunnen als chemisch
bestrijdingsmiddel worden gebruikt. Maar er zijn plantaardige gifstoffen die soortspecifiek
zijn en daardoor in een biologisch bestrijdingsprogramma passen.
6. Het toepassen van wisselteelt.
Geïntegreerde bestrijding
Geregeld wordt er gekozen voor geïntegreerde gewasbescherming: biologische bestrijding in
combinatie met chemische. Als dan ook nog water en voedingsstoffen zo nauwkeurig mogelijk
worden toegediend, kan men spreken van ‘precisielandbouw’.
, 24.2 Bemesting
Akkerbodems verarmen, doordat samen met de oogst veel anorganische stoffen aan de bodem
worden onttrokken. Zo ontstaat op den duur een tekort aan mineralen. Daarom moeten akkers
worden bemest. Dat gebeurt nog steeds vaak met stalmest.
Stalmest verschilt van kunstmest, doordat het vooral organische stoffen bevat; kunstmest bestaat
alleen uit mineralen (anorganische stoffen). Stalmest bevat ook mineralen, maar gebonden in
organische verbindingen en in wisselende hoeveelheden. Stalmest heeft als voordeel dat de
humuslaag dikker wordt. Kunstmest verrijkt de bodem direct en in precies bekende verhoudingen.
Intensieve veehouderij
In Nederland hebben we te maken met intensieve veehouderij. Er is onvoldoende grondoppervlak. Er
wordt daarom veel geïmporteerd.
De stikstofverbindingen in de mest worden door bepaalde bacteriën omgezet in ammoniak. Dit gas
vormt met zwaveldioxide in de lucht ammoniumsulfaat. Via de regen komt deze stof weer in de
bodem, waar nitrificerende bacteriën het ammonium omzetten in nitraat. Bij deze omzetting komen
zure stoffen vrij.
Stallen moeten daarom tegenwoordig zó gebouwd worden dat er geen ammoniak in de lucht komt.
Het uitrijden van mest mag in de maanden waarin de planten de meststoffen snel kunnen opnemen.
Overbemesting
De niet opgenomen meststoffen lossen op in het water. Dit water komt in sloten en lagergelegen
delen rondom de akkers (uitspoeling). Water en bodem worden zo verrijkt (eutrofiëring).
In eutroof water kunnen algen snel groeien: waterbloei. Het gevolg is dat er geen licht op de bodem
komt en de waterplanten doodgaan. De algen sterven ook, zo is er veel organische stof. Het
zuurstofgehalte neemt af, doordat er geen waterplanten meer zijn en het aantal reducenten
toeneemt. De reducenten breken organische stoffen af en hebben daar zuurstof bij nodig. Zonder
zuurstof gaan ook de vissen dood. De meststoffen kunnen ook uitspoelen naar natuurgebieden. Veel
planten en ook kleine diertjes kunnen niet tegen eutrofiëring.
Men probeert overbemestingsproblemen op verschillende manieren op te lossen:
1. In de periode dat er geen planten op een akker staan, mag er geen mest worden gestrooid of
uitgereden.
2. Boerenbedrijven hebben het mestquotum: ze moeten voldoende land hebben om de mest
zonder schade uit te rijden, of anders een overeenkomst sluiten met akkerbouwers. Hoeveel
mest ze produceren, moet worden bijgehouden.