25.1 Soort en populatie
Een soort is een groep organismen, die door onderling voortplanten vruchtbare nakomelingen
kunnen voortbrengen. Alle individuen van dezelfde soort die een voortplantingsgemeenschap
vormen, horen tot een populatie. Een soort bestaat meestal uit meerdere populaties, die niet met
elkaar in aanraking komen en dus ook niet met elkaar voortplanten. Populaties zijn niet gesloten,
want ecosystemen zijn dat ook niet. Er kunnen individuen migreren.
Binaire nomenclatuur
Een soortnaam bestaat uit min. twee Latijnse namen. Dat wordt de binaire nomenclatuur genoemd.
De eerste naam begint met een hoofdletter en geeft aan tot welk geslacht (genus) het organisme
behoort (geslacht = groep). De tweede naam is de aanduiding van de soort (species) en heeft een
kleine letter. Vaak staat achter de soortnaam een grote letter, die duidt op de persoon die de soort
het eerst beschreven heeft. Soortnamen bestaan soms uit drie Latijnse woorden: ondersoorten.
Hoe scherp zijn de grenzen?
Individuen kunnen veel op elkaar lijken, maar tot verschillende soorten gerekend worden. Individuen
kunnen ook nauwelijks op elkaar lijken en toch bij dezelfde soort horen. Soorten kunnen in de loop
van de tijd veranderen: evolutie. Ook DNA-onderzoek en veroorzaakt verschuivingen in de indeling.
Populaties van dezelfde soort, die ver van elkaar afleven, kunnen van elkaar gaan verschillen. Het
gevolg kan zijn dat ze elkaar na verloop van tijd niet meer als soortgenoten herkennen.
25.2 Klassieke ordening
Organismen zijn vanaf de 18de eeuw geordend door Carolus Linnaeus. Bij het ordenen heeft hij gelet
op de bouwkenmerken. Eerst verdeelde hij alle organismen in de twee rijken: het plantenrijk en het
dierenrijk. Vervolgens deelde hij organismen in afdelingen (stammen).
Moderne taxonomen delen nog volgens hetzelfde principe in, maar de indelingen zijn veranderd.
Termen als soort, geslacht, familie, orde en klasse worden taxa genoemd. Een taxon is een
taxonomische eenheid of groep die een onderscheidende eenheid vormt. Hoewel de oorspronkelijke
namen van veel taxa nog worden gebruikt, is de indeling veranderd.
, 25.3 Moderne systematiek
Doordat soorten kunnen veranderen, letten biologen op de bouwkenmerken en de evolutionaire
verwantschap. Deze wetenschap wordt de fylogenetische systematiek, ofwel cladistiek, genoemd.
De fylogenetische systematiek reconstrueert verwantschappen en afstamming
van soorten. Een tak van een stamboom wordt clade genoemd. De stamboom
noem je een cladogram. Door de biotechnologie is met overeenkomstige
nucleotidensamenstellingen verwantschap preciezer vast te stellen.
Homologie, rudimentaire organen en divergentie
Soorten die van een gezamenlijke voorouder afstammen, hebben een gemeenschappelijk bouwplan.
Homologe organen: organen met hetzelfde bouwplan, maar uiteenlopende vorm en functie.
Rudimentaire organen: resten van organen die hun functie
in evolutionaire ontwikkeling hebben verloren. Rudimenten
zijn vaak nog aanwezig, waardoor je evolutionaire
verwantschap kunt aantonen.
Divergentie: dat overeenkomstige organen in aanleg
hetzelfde zijn en door evolutie bij van vorm en functie zijn
veranderd. Zo kunnen homologe organen ontstaan.
Analogie en convergentie
Het kan ook zijn dat in aanleg organen bij verschillende organismen zó op elkaar lijken dat ze meer
verwantschap doen vermoeden dan er is. Analoge organen: deze zijn niet ontstaan uit gelijke
oervormen, maar ze zijn op elkaar gaan lijken door dezelfde aanpassing.
Bij niet-verwante soorten kunnen door gelijke milieuomstandigheden analoge structuren en organen
ontstaan. Dit heet convergentie. De gestroomlijnde vorm van waterdieren is het gevolg van
convergente evolutie.
DNA-onderzoek
Door DNA van verschillende soorten te vergelijken, is de mate van verwantschap te bepalen. Bij
organismen, zoals de bacteriën en de schimmels, werd voorheen alleen op basis van kenmerken
bepaald of ze wel of niet tot dezelfde soort behoren. Nu kan dat ook door DNA-onderzoek.
Een soort is een groep organismen, die door onderling voortplanten vruchtbare nakomelingen
kunnen voortbrengen. Alle individuen van dezelfde soort die een voortplantingsgemeenschap
vormen, horen tot een populatie. Een soort bestaat meestal uit meerdere populaties, die niet met
elkaar in aanraking komen en dus ook niet met elkaar voortplanten. Populaties zijn niet gesloten,
want ecosystemen zijn dat ook niet. Er kunnen individuen migreren.
Binaire nomenclatuur
Een soortnaam bestaat uit min. twee Latijnse namen. Dat wordt de binaire nomenclatuur genoemd.
De eerste naam begint met een hoofdletter en geeft aan tot welk geslacht (genus) het organisme
behoort (geslacht = groep). De tweede naam is de aanduiding van de soort (species) en heeft een
kleine letter. Vaak staat achter de soortnaam een grote letter, die duidt op de persoon die de soort
het eerst beschreven heeft. Soortnamen bestaan soms uit drie Latijnse woorden: ondersoorten.
Hoe scherp zijn de grenzen?
Individuen kunnen veel op elkaar lijken, maar tot verschillende soorten gerekend worden. Individuen
kunnen ook nauwelijks op elkaar lijken en toch bij dezelfde soort horen. Soorten kunnen in de loop
van de tijd veranderen: evolutie. Ook DNA-onderzoek en veroorzaakt verschuivingen in de indeling.
Populaties van dezelfde soort, die ver van elkaar afleven, kunnen van elkaar gaan verschillen. Het
gevolg kan zijn dat ze elkaar na verloop van tijd niet meer als soortgenoten herkennen.
25.2 Klassieke ordening
Organismen zijn vanaf de 18de eeuw geordend door Carolus Linnaeus. Bij het ordenen heeft hij gelet
op de bouwkenmerken. Eerst verdeelde hij alle organismen in de twee rijken: het plantenrijk en het
dierenrijk. Vervolgens deelde hij organismen in afdelingen (stammen).
Moderne taxonomen delen nog volgens hetzelfde principe in, maar de indelingen zijn veranderd.
Termen als soort, geslacht, familie, orde en klasse worden taxa genoemd. Een taxon is een
taxonomische eenheid of groep die een onderscheidende eenheid vormt. Hoewel de oorspronkelijke
namen van veel taxa nog worden gebruikt, is de indeling veranderd.
, 25.3 Moderne systematiek
Doordat soorten kunnen veranderen, letten biologen op de bouwkenmerken en de evolutionaire
verwantschap. Deze wetenschap wordt de fylogenetische systematiek, ofwel cladistiek, genoemd.
De fylogenetische systematiek reconstrueert verwantschappen en afstamming
van soorten. Een tak van een stamboom wordt clade genoemd. De stamboom
noem je een cladogram. Door de biotechnologie is met overeenkomstige
nucleotidensamenstellingen verwantschap preciezer vast te stellen.
Homologie, rudimentaire organen en divergentie
Soorten die van een gezamenlijke voorouder afstammen, hebben een gemeenschappelijk bouwplan.
Homologe organen: organen met hetzelfde bouwplan, maar uiteenlopende vorm en functie.
Rudimentaire organen: resten van organen die hun functie
in evolutionaire ontwikkeling hebben verloren. Rudimenten
zijn vaak nog aanwezig, waardoor je evolutionaire
verwantschap kunt aantonen.
Divergentie: dat overeenkomstige organen in aanleg
hetzelfde zijn en door evolutie bij van vorm en functie zijn
veranderd. Zo kunnen homologe organen ontstaan.
Analogie en convergentie
Het kan ook zijn dat in aanleg organen bij verschillende organismen zó op elkaar lijken dat ze meer
verwantschap doen vermoeden dan er is. Analoge organen: deze zijn niet ontstaan uit gelijke
oervormen, maar ze zijn op elkaar gaan lijken door dezelfde aanpassing.
Bij niet-verwante soorten kunnen door gelijke milieuomstandigheden analoge structuren en organen
ontstaan. Dit heet convergentie. De gestroomlijnde vorm van waterdieren is het gevolg van
convergente evolutie.
DNA-onderzoek
Door DNA van verschillende soorten te vergelijken, is de mate van verwantschap te bepalen. Bij
organismen, zoals de bacteriën en de schimmels, werd voorheen alleen op basis van kenmerken
bepaald of ze wel of niet tot dezelfde soort behoren. Nu kan dat ook door DNA-onderzoek.