Psychofarmacologie samenvatting academisch jaar 2024/2025
Hoorcollege 1: Definitie, classificatie, administratie, pharmacokinetics &
pharmacodynamics, neurons
Definitie
Pharmacology = Knowledge about drugs or medicines; the art of preparing medication
The science that deals with studying the reciprocal actions, or interactions, between
pharmacological substances and physiological processes
Pharmacon = medicine/ pharmaceutical product
In dit vak gebruiken we het woord ‘pharmacon’ en niet het woord ‘drugs’ om verwarring te
voorkomen. We gebruiken alleen het woord ‘drugs’ tijdens het hoorcollege over verslaving.
3 manieren van het classificeren van medicatie:
1. Chemical structure: Interesting, but the same structure can have different effects
2. Working mechanism: Ideal, but working mechanism not always known
3. Behavioral effects: Easiest, linked to disorder being treated
Er zijn nu 2 belangrijke classificatiesystemen voor medicatie:
1. ATC: Anatomical Therapeutic Chemical
a. Classificering op basis van de behavioral effects (indication based)
b. Oud systeem
c. Gouden standaard (WHO: World Health Organization)
d. Nadelen:
i. Use for other than primary disorder less obvious: Omdat de naam zegt
dat het voor 1 stoornis is, wordt het soms ook niet voor andere
stoornissen gebruikt terwijl dat wel kan.
ii. Stigma/ patient adherence: mensen met bijvoorbeeld een angststoornis
willen geen antidepressiva nemen omdat ze niet leiden aan depressie of
hiermee niet geclassificeerd willen worden
2. NbN: Neuroscience-based Nomenclatures
a. Classificering op basis van working mechanisme (pharmacologisch gedreven)
b. Nieuwer systeem
c. Taskforce 5 organisations
d. Nadelen:
i. Nieuw, wordt niet erkend door WHO/ wetenschappelijke community.
Praktijken gebruiken dus alleen ATC.
ii. Te weinig bewijs: we weten vaak niet precies wat het working
mechanism is van de medicatie.
Voorbeeld verschil in nomenclature:
ATC: Antipsychotica
NbN: Serotonin/Dopamine antagonists with antipsychotic actions
NbN geeft dus meer informatie, maar het wordt niet per se duidelijker voor de patiënt. Daarbij
is ATC veel korter. We gebruiken in deze course ATC!
ATC heeft 5 psychotropische drugsklassen:
, 2
1. Antipsychotica
a. Conventionele (typische) antipsychotica
b. Atypische antipsychotica
2. Antidepressanten
a. TCA’s: tricyclische antidepressanten
b. SSRI’s: selective serotonin reuptake inhibiters
c. MAOI: MonoAmine Oxidase Inhibitors
3. Anxiolytica
a. Benzodiazepines
b. Non-benzodiazepines
4. Mood stabilizers
a. Lithium: meest gebruikt!
5. Hypnotics
a. Bespreken we in deze course niet echt, dus hoef je verder ook niks over te
weten.
Ezelsbruggetje voor de 5 psychotropische drugsklassen van ATC: HAAAM
Andere relevante drugsklassen van het ATC:
Anti-epileptica: medicatie van deze groep hoort soms ook bij de anxiolytica, zoals
benzodiazepine.
Stimulanten (cocaïne, nicotine, amfetamine)
Narcotic pain killers (opioiden, morfine, codeine, heroine)
Central Nervous System (CNS) suppressors
Psychedelics & Hallucinogens (LSD, marijuana, hashish)
Sommige depressieve mensen gebruiken mescaline om meer positieve ervaringen te hebben.
Mescaline heeft hetzelfde effect als LSD, maar is niet verslavend. De eerste 4-6 uur moet je
namelijk overgeven en heb je diarree, daarna ben je 12 uur lang blij.
Administration of drugs includes 4 important stages: MADE
1. Absorptie: opnemen vanaf de plek van toedienen (administration) in het bloed. Er zijn
verschillende manieren om het middel in het lichaam te krijgen:
a. Oral: 2/3 van de effecten van het middel valt weg. Is een vrij langzame manier
van absorptie, maar dat is juist goed als je veel bijwerkingen van het middel
verwacht. Je kan dan als het echt fout gaat, het medicijn nog uit de buik halen
voordat het zich in het hele lichaam bevindt.
b. Rectal: via de kont.
c. Topical: de hele tijd op dezelfde plek toedienen
i. Skin: elke keer op dezelfde plek in de huid spuiten bijvoorbeeld
ii. Oral muccosa
1. Sublingual: snel effect, onder de tong. Doe je bijvoorbeeld
tegen migraineaanval, want dan wil je snel effect van medicatie.
2. Buccal: in de wang
d. Parenteral: medicatie gegeven door injectie
, 3
i. Intravenous: in de aderen
ii. Intramuscular: in de spieren
iii. Subcutaneously: in beide tegelijk
e. Inhalation: zou in theorie ook topical kunnen zijn.
i. Belangrijk: Parenteral kan ook topical zijn. Topical en parenteral
werken lokaal, maar hebben een heel snel effect. Ezelbruggetje voor
het onthouden van de 5 manieren van absorptie in het lichaam: PIORT
2. Distributie: verdelen door het lichaam.
a. Extracellulair verdeelt de medicatie zich over het bloedplasma, en
intracellulair verdeelt de medicatie zich over het water in de lichaamscellen.
Hoe sneller de distributie, hoe sneller het medicijn is op de plek waar je het
wilt hebben. De snelheid van de distributie hangt af van de lipid solubility
(vetoplosbaarheid). Als een medicijn een hogere lipid solubility heeft, kan het
sneller door het membraan heen en dus sneller verdelen. Heroïne heeft
bijvoorbeeld een hoge ls en morfine een lage ls. Hierdoor werkt heroïne sneller
dan morfine. Dus: Dus hogere vetoplosbaarheid snellere verdeling
sneller en intenser effect.
3. Metabolisme: omzetten door het lichaam
4. Excretie: eliminatie uit het lichaam
Pharmacokinetics & Pharmacodynamics zijn processen die in de 4 stages van administration
voorkomen.
Pharmacokinetics: Change over time in terms of serum concentration of medication
and metabolites. Metobolites zijn de producten die ontstaan bij het afbreken van
medicatie. How does the body process the medication?
o De gehele bloedcirculatie duurt ongeveer 1 minuut. Elke cel is heel dichtbij
een capillary (haarvat), want er zijn heel veel haarvaten. Hierdoor werkt de
medicatie via bloed dus heel snel. Heeft een effect op:
Absorption
Distribution
Interaction with receptor
Elimination
o Distribution half-life (alpha phase): hoe snel geabsorbeerd? Hoe snel is het bij
het weefsel voor het gedragseffect?
Pharmacodynamics: How does the body respond to the medication?
Pharmacodynamics is belangrijk omdat we hierdoor kunnen ontdekken hoe medicatie
werkt en hoe we het kunnen gebruiken.
o Het gaat hier om medicatie-receptor interactie. Dat bepaalt het therapeutic,
pharmacological en toxic effect.
, 4
o
Uitleg bovenstaand plaatje:
Wat hier gebeurt:
o Eerst: Large peak in medication concentration in plasma
want medication is administered.
o Vervolgens: Large decrease medication concentration in
plasma medication leaves bloodstream, enters tissues
(cells, fat, muscles…).
Subtherapeutic range: werkt nog niet helemaal, behavioral
effects zijn nog niet optimaal.
Wil je eenmaal bepaalde medicatie gebruiken: gebruik het en
kijk in welke range die komt. Wil je meerdere malen gebruiken:
zorg dat het in therapeutic range valt en dat het boven de
subtherapeutic range blijft anders heb je geen gedragseffect van
het middel meer.
o Elimination half-life (beta fase): hoe snel geëlimineerd? Hoe snel stopt het
effect?
Half-lives: de tijd die de medicatie nodig heeft om te halveren in concentratie. Half-lives
verschillen per medicatie. Verschilt ook een beetje per mens. Half-life per medicatie is
berekent door de gemiddelde half-life te nemen van medicijnen bij gezonde volwassenen en
kinderen. Bij half-lives is het zo dat van 100% naar 50% even lang duurt als van 2% naar 1%.
Pharmacokinetics: Distribution half-life: tijd tussen toedienen middel en het moment
dat nog maar 50% aanwezig is in bloedplasma, en dus 50% zit op de plek waar het
moet zijn. Vertelt wanneer het een effect begint te hebben op gedrag, de eerste
distribution half-life geeft dus het eerste effect op gedrag aan. Het is logisch dat de
distribution half-life hoort bij de pharmacokinetica, want pharmacokinetica gaat over
hoe je lichaam medicatie processed, en de snelheid van verdeling hoort daarbij.
Pharmacodynamics: Elimation half-life: wanneer je lichaam start met excretie en het
effect dus stopt. Deze half-life vertelt dus wanneer het medicijn stopt met werken. De
eerste elimation half-life: 50% is buiten het lichaam. Bij elke medicatie is het zo dat je
na 6 half-lives, 98% van de medicatie is geelimineerd.