ALGEMEEN
Klassieke oudheid
- Griekse klassieke oudheid: 8e eeuw v.Chr. – 146
v.Chr.
- Romeinse klassieke oudheid: 753 v.Chr. – val
Romeinse Rijk 476 n.Chr.
- Middeleeuwen: 500 – 1500
- Renaissance: 15e en 16e eeuw
Middeleeuwen: 500 – 1500
- 500 – 1000: vroege middeleeuwen
- 1000 – 1250: hoge middeleeuwen
- 1250 – 1500: late middeleeuwen
Karel de Grote 1e West-Europese keizer in 8e eeuw – brengt orde in chaos
Sticht nieuw christelijk rijk – Karolingisch Rijk
Vanaf 1000 neemt macht en welvaart in Europa toe
Einde middeleeuwen verschillend in Europa: In noordelijk Europa eindigt
renaissance later, omdat de renaissance daar later doordringt.
Samenleving Europa
Europa dunbevolkt:
Wereldlijke macht ligt bij de adel
Geestelijke macht bij de christelijke kerk (Rooms-katholiek)
Voor verspreiding kunst/cultuur zijn kloosters belangrijk
Karolingische Rijk
Eerste West-Europese rijk onder een keizer
Brengt de orde in chaos
12e en 13e eeuw:
Meer handel
Steden groeien, grote kathedralen worden gebouwd
! In de late middeleeuwen hadden naast de kerk en adel ook burgerij invloed op
culturele zaken !
, Standenmaatschappij
1. Geestelijken: godsdienst, onderwijs en wetenschap
2. Adel: anderen beschermen
3. Boeren en burgers
Economische bloei
- 11e eeuw: toename bevolking Europa: meer en sneller voedsel verbouwen: drieslag
stelsel
- Ontstaan van geldeconomie
- Hoge middeleeuwen = economische bloeiperiode
- Steden nieuwe machtsfactor: eigen rechten
- Ontstaan van gilden
Culturele bloei
- Eerste universiteiten
- Klassieke werken zoals Aristoteles werden herontdekt
- Thomas van Anquino: ontwikkeling theologie
Kunstenaars
- Opdracht: vanuit kerk, adel, gilden, burgerij,
stadbesturen
= politieke en economische macht
- Kunst als ambacht
- Kunstenaars aangesloten bij gildes
- Opleiding via gilde
- Veel analfabetische bevolking: didactische
functie (glas in lood in kerken bijvoorbeeld)
- Werken volgens beeldconventies:
vaststaande ongeschreven regels waren over
afbeeldingen, de betekenis van de afbeelding
en het gebruik ervan.