Periode 1
Casus Sophie
CGO
Hoofdstuk 1
1.1 INTRO: Visies op gezondheid
De manier waarop wij tegen gezondheid aankijken is veranderd. In de geneeskunde heeft het
bevorderen van de gezondheid meer aandacht gekregen. Preventie speelt daardoor een grotere
rol. Cultuur heeft invloed op de wijze waarop gezondheid wordt beleefd.
1.2 Medische, monocausale visie op gezondheid
Professionele, medische gezondheid is de afwezigheid van ziekte of lichaamsgebrek. Dit is de
klassieke, monocausale benadering.
Problemen: gezondheidsproblemen kunnen niet monocausaal verklaard worden en een duidelijke
overgang van gezondheid naar ziekte is niet aan te geven.
1.3 Biologische visie op gezondheid
Iemand is gezond als hij in staat is onder wisselende externe omstandigheden zijn interne milieu
constant te houden, homeostase. Biologische gezondheid is universeel geldend voor alle
mensen.
1.4 Psychologische visie op gezondheid
Iemand is gezond als hij zijn zelf gestelde doelen in het leven kan behalen en in zijn geestelijke
behoeften kan voorzien. De benadering is heel persoonlijk en wordt daarom ook wel de
individuele benadering van gezondheid genoemd.
1.5 Sociale visie op gezondheid
Iemand is gezond wanneer hij zijn sociale rol in de maatschappij kan vervullen binnen de
geldende waarin en normen. Het is de capaciteit van mensen om te functioneren en participeren
in de maatschappij.
1.6 Multicausale visie op gezondheid
Deze visie verbindt de biologische, de psychologische en de sociale visie op gezondheid. ‘A state
of complete physical, social en mental well-being and not merely the absence of disease or
in rmity.’ Ook wel de humane benadering, holistisch mensbeeld, de mens is in deze visie meer
dan zijn lichaam.
1.7 Dynamische visie op gezondheid
De mens is gezond wanneer hij in balans is met zowel zichzelf als zijn externe milieu. Door zijn
aanpassingsvermogen is hij in staat de regie te houden over zijn gezondheid.
1.8 Positieve gezondheid
Sluit aan bij de dynamische visie op gezondheid, het vermogen van mensen om zich aan te
passen en de eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen
van het leven. Aanpassingsvermogen en het belang van zelfmanagement.
AFPF anatomie & fysiologie
Hoofdstuk 1, Inleiding tot de anatomie en de bouw van het lichaam
Mediaal naar het midden van het lichaam
Lateraal Verder van de middellijn of aan de zijkant van het
lichaam
fi
,Proximaal dichter bij een bepaald aanhechtingspunt van een
ledemaat
Distaal Verder van een bepaald aanhechtingspunt van een
ledemaat
Anterior/ventraal Dichter bij de voorkant van het lichaam
Posterior/dorsaal Dichterbij de achterkant van het lichaam
Superior Dichterbij het hoofd
Inferior Verder van het hoofd
Sinister Links
Dexter Rechts
-> quizlet sets over botten van het lichaam
Botten van de wervelkolom leren
- Mediane vlak (door het midden gesneden van de voorkant)
- Frontale vlak (door het midden gesneden van de zijkant)
- Transverse vlak (chopchop door het midden bij de taille)
De vier lichaamsholten:
1. Schedelholte
2. Borstholte
3. Buikholte
4. Bekkenholte
Inhoud borstholte:
- trachea, 2 bronchi, 2 longen
- Het hart, de aorta, de vena cava superior en inferior en andere bloedvaten
- De oesophagus
- Lymfevaten en lymfeklieren
- Zenuwen
Inhoud buikholte: (quizlet set)
- Hepar, lever
- Gaster, maag
- Lien, milt
- Colon, dikke darm
- Intestines tenue, dunne darm
- Vena cava inferior en aorta
- Ren, nier
- Glandula, bijnier
- Pancreas, alvleesklier
- Duodenum, twaalfvingerige darm
Hoofdstuk 2, Inwendig milieu & homeostase
Milieu intérior: De extracellulaire lichaamsvloeistof, waarin cellen en organen zich bevinden.
Homeostase: Het vermogen van het lichaam om lichamelijke waardes binnen nauwe grenzen te
houden onder veranderende omstandigheden.
Negatieve feedbackmechanismen: Als een variabel stijgt, laat het negatieve feedbackmechanisme
het dalen en als het daalt, laat het negatieve feedback het terug stijgen tot het normale niveau.
Positieve feedbackmechanismen: De stimulus doet de respons progressief toenemen, de respons
wordt progressief versterkt.
, Osmose en Di usie
Di usie is de verplaatsing van moleculen van een plaats met een hoge concentratie naar een
plaats met een lage concentratie. Het proces wordt versneld door temperatuurstijging. Osmose
betekent dat water met de concentratiegradiënt mee verplaatst.
Extracellulaire vloeistof (ECF): bloed, plasma, lymfe, cerebrospinale vloeistof en vloeistof in de
interstitiële ruimten in het lichaam. Een kleine verandering in het ECF heeft grote gevolgen.
Intracellulaire vloeistof (ICF): vloeistof in cellen, de samenstelling wordt gereguleerd door de cellen
zelf.
Hoofdstuk 3, de cel: structuur & functies en weefsels
Plasmamembraan
Het plasmamembraan bestaat uit twee lagen fosfolipiden met daarin eiwitten en suikers. Ook het
lipide cholesterol is aanwezig. Het membraan vormt een selectieve barrière. Dit gebeurt door
passief transport (di usie, di usie+ en osmose) en actief transport (natrium-valiumpomp en
fagocytose).
Organellen
Nucleus (de kern) - bevat het genetische materiaal van het lichaam
Mitochondriën - energiecentrale van de cel
Ribosomen - maken eiwitten uit aminozuren door DNA
Endoplasmatisch reticulum - glad ER maakt lipiden en steroïdhormonen, ruw ER vormt eiwitten
Golgi-apparaat - eiwitten worden ingepakt in membraangebonden blaasjes.
Lysosomen - bevatten enzymen die zorgen voor afbraak
Cytoskelet - structuur, stevigheid en vorm en geleidt sto en
Microtubuli - ondersteunen de structuur van de cel en begeleiden beweging
Centrosoom - ordening van microtubuli, celdeling
Celuitstulpingen - bestaat uit microtubuli waardoor ze kunnen bewegen
Interfase & mitose
Tijdens de interfase groeit de cel, de chromosomen verdubbelen zich en de cel groeit meer.
Mitose:
Profase, elk van de 46 chromosomen koppelt zich aan de identieke.
Metafase, de chromosomen gaan parallel liggen, vastgehecht door hun centromeer
Anafase, de centromeren splitsen.
Telofase, de chromosomen ontwinden zich en de kernmembranen vormen zich in twee cellen.
Epitheelweefsel
Dit weefsel bedekt het lichaam en bekleedt lichaamsholten, holle organen en verschillende
kanalen en afvoerbuizen van het lichaam. De functies kunnen zijn bescherming van onderliggende
structuren, secretie en absorptie. Het epiteliaal weefsel is eenlagig of meerlagig.
Bindweefsel
Bindweefsel is het ruimst aanwezig in het lichaam en het bevat altijd drie componenten, cellen,
vezels en matrix. De belangrijkste functies zijn binding en ondersteuning van de structuur,
bescherming, transport en isolatie. In het bindweefsel zitten broblasten, vetcellen, macrofagen,
leukocyten en mestcellen. Soorten bindweefsel zijn: Losmatig bindweefsel, vetweefsel, reticulair
weefsel, vast bindweefsel, bloed, kraakbeen en beenweefsel.
Spierweefsel
Dit weefsel kan samentrekken en weer ontspannen en het weefsel vereist een overvloedige
bloedtoevoer. Skeletspierweefsel beweegt de beenderen, het is dwarsgestreept en het staan
onder invloed van de wil (door motorische zenuwimpulsen). Glad spierweefsel staat niet onder
invloed van de wil (autonome zenuwimpulsen). Hartspierweefsel komt alleen in het hart voor. Het
Staa niet onder bewuste controle maar ziet er wel dwarsgestreept uit.
Epithelial membranen
ff ff ff ff ff fi
, Epithelial membranen zijn lagen van epitheel en bindweefsel die dienen als bekleding voor veel
interne holten en structuren. Slijmvliezen zijn de vochtige bekleding van het spijsverteringskanaal,
de luchtwegen, de urinewegen en de geslachtsorganen. Het bestaat uit epitheelcellen. Het slijm
beschermt tegen uitdroging en tegen mechanische en chemische schade. Sereuze vliezen
scheiden een waterige vloeistof uit. De sereuze vloeistof tussen ede viscerale en pariëtale laag
zorgt ervoor dat de organen vrij in de holte kunnen bewegen zonder dat er schade ontstaat.
Synoviale membranen zijn de bekleding van gewrichtsholten en banden die anders beschadigd
zouden raken door wrijving tegen beenderen. Ze scheiden een heldere, kleverige, olieachtige
synodale vloeistof af die de gewrichten smeert.
Endocriene klieren - scheiden hun product uit in het bloed en de lymfe
Exocriene klieren - scheiden hun product uit aan het epitheeloppervlak van een hol orgaan
Pathologie
Hoofdstuk 1
1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Anatomie De bouw en structuur van het lichaam
Complicaties Onverwachte bijkomende aandoeningen die optreden bij een behandeling van een
aandoening
Diagnostiek Het geneeskundig onderzoek waarmee de aard van een aandoening wordt
vastgesteld
Epidemiologie Het voorkomen van aandoeningen onder de bevolking
Etiologie Oorzaken van ziekten/aandoeningen
Fysiologie Het normale functioneren van het lichaam
Pathogenese Processen die tot ziekte leiden
Pathofysiologie Leer van pathogenese en het e ect daarvan op de functies van het lichaam
Pathologie Leer van ziekten/aandoeningen
Preventie Maatregelen om een ziekte/aandoening te voorkomen
Prognose Het verwachte ziektebeloop
Risicofactoren Factoren die de kans op een ziekte vergroten
Symptomen Klachten van verschijnselen van ziekten/aandoeningen
Therapie De behandeling van een ziekte/aandoening
1.3 Etiologie en pathogenese
Etiologie - De leer van de oorzaken van aandoeningen. Endogene en exogene factoren.
Idiopathische aandoening - Als de etiologie nog niet duidelijk bekend is, meestal zijn er dan wel
predisponerende (risicoverhogende) aandoeningen.
Iatrogene aandoening - Aandoening ontstaan als gevolg van een ingreep van een zorgdeskundige.
Congenitaal - aangeboren aandoening (erfelijk of ontstaan tijdens de zwangerschap)
Pathogenese - bijschrijft de processen die tot ziekte leiden.
1.4 Risicofactoren
Bij risicofactoren is er geen sprake van een duidelijk oorzakelijk verband met de aandoening. Ze
kunnen ook aanwezig zijn zonder dat ze leiden tot een aandoening. Endogene en exogene
risicofactoren. Stressfactoren en leefstijlfactoren spelen ook een rol.
Psychologie
ff