Burgerlijk procesrecht werkgroepen
Week 1
Vraag 1
a) De Lange is de eiser en Smit de gedaagde. Art. 1 RV zegt dat je eerst moet kijken of
internationaal wat geregeld is. Deze casus heeft internationale aspecten, want de
onrechtmatige daad gepleegd in België. Ja er kan voor de Nederlandse rechter worden
geprocedeerd aangezien de gedaagde in ede, wat in Nederland ligt, woont. Dit volgt uit de
hoofdregel uit het EEX-vo II verdrag (art 4). De eiser moet naar de lidstaat naar de lidstaat van
gedaagde. De Nederlandse rechter is niet exclusief bevoegd. Kijken naar art. 5 EEX-Vo, dat de
uitzondering geeft voor een ander gerecht als de artikelen dat aangeven. Ook de Belgische
rechter is bevoegd aangezien het gaat om een verbintenis van een onrechtmatige daad (art. 7
aanhef en lid 2 EEX-Vo). De onrechtmatige daad is in België gepleegd dus ook daar kan de
zaak behandeld worden. Er kan voor de Nederlandse rechter geprocedeerd worden op
grond van art. 4 Brussel I-bis, maar de Nederlandse rechter is niet exclusief bevoegd. Op
grond van art. 7 Brussel I-bis kan ook bij de Belgische rechter geprocedeerd worden. De eiser
mag kiezen, dus de Lange.
b) Absoluut: de rechtbank (art. 42 RO) is bevoegd in civiele zaken voor de eerste aanleg. Dan
kijken naar art. 78 lid 1 RV en art. 261 lid 1 en 2 RV, het gaat om een dagvaardingsprocedure,
omdat het niet een verzoekschrift is, want in art. 6:162 BW noemt niet iets van een verzoek.
Omdat het om een bedrag van minder dan 25000 euro gaat is de kantonrechter bevoegd (art.
93 sub A RV). In art. 94 lid 1 volgt dat de vorderingen worden opgeteld tot de totale waarde,
dus 13500 euro. Relatief gaat om de plek waar in Nederland, dit zal de rechtbank zijn waar
Ede onder valt, de woonplaats van de gedaagde (art. 99 RV), Ede, arrondissement Gelderland,
locatie Arnhem.
c) Art. 110 RV: het moet gelijk aangegeven worden, mag alleen vooraf, als het proces al
begonnen is dan wordt hij bij die rechtbank afgemaakt. Tenzij vordering van 25000 of andere
uitzonderingen dan verwijst hij ambtshalve door.
Vraag 2
De Jong is eiser en Vink BV is de gedaagde. Een verklaring voor recht wordt gevorderd, is iemand
überhaupt aansprakelijk (art. 3:302 BW). Geen internationale aspecten.
Het absoluut bevoegde recht is de rechtbank, omdat het gaat om een civiele procedure in eerste aanleg
(art. 42 RO). Eerst kijken naar art. 78 RV en dan 261 RV (wat blijkt daaruit). Kijken naar materiele
wet art. 3:302 BW, er staat niks over een verzoek, dus het gaat om een dagvaardingsprocedure. De
kantonrechter is niet bevoegd omdat het gaat om een bedrag van meer dan 25000 euro (art. 93 sub B
RV), want er is nog geen concreet bedrag gevorderd, het gaat nog om een schatting. Dus gaan ze naar
de civiele rechter.
De relatieve bevoegdheid is de woonplaats van de gedaagde, art. 99 RV. De gedaagde is Vink BV. Dat
ligt in Amsterdam, maar een bv kan niet voor de rechter worden gedaagd, want is een rechtspersoon
(art. 1:10 BW). BV, statutaire zetel is gevestigd in Amsterdam, dus dat is de woonplaats van gedaagde.
In art. 1:14 staat dat de locatie van het filiaal, dus de Utrechtse Heuvelrug, kan ook. Dus rechtbank in
Amsterdam of Rechtbank midden-Nederland. Mede, dus de eiser, de Jong, mag kiezen. Eventueel art.
102 RV (plaats schadebrengende feit).
Vraag 3
Geen internationale aspecten. De rechtbank is absoluut competent, art. 42 RO.
Eerst kijken in art. 78 lid 1 en art. 261 lid 1 & 2. Een echtscheiding (art. 1:150 BW) is een
verzoekschriftprocedure (art. 261 RV). De kantonrechter is niet bevoegd voor verzoekschriften dus de
zaak wordt door een rechter gedaan. In art. 1:150 BW staat niet dat de kantonrechter bevoegd is. Let
op art. 815 e.v. bevatten nog aanvullende procesregels voor echtscheidingszaken.
, De bevoegde rechter bij een verzoekschrift is de rechte van de woonplaats van verzoeker en
woonplaats van belanghebbende (art. 262 RV). Peter is de verzoeker en woont in Rotterdam dus bij
rechtbank Rotterdam kan de procedure aanhangig worden gemaakt. Sanne is belanghebbende, dus
ook locatie Dordrecht is bevoegd.
Vraag 4
Het gaat om een dagvaardingsprocedure. Het gaat om een kantonrechter zaak, want consumentenzaak,
sub C art. 93 RV.
Art. 99 RV: woonplaats gedaagde, dus in Groningen, maar er is een forumkeuzebeding opgenomen
voor de vestiging van de verkoper (Terneuzen), mag dat en moet de rechter dit ambtshalve toetsen?
Een forumkeuzebeding mag, je mag met je wederpartij afspreken dat je naar die locatie gaat bij een
geschil.
Richtlijn 93/13 en boek 6 BW (art. 6:231 BW). Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen
consumentenovereenkomsten, art. 6:233a BW. Vernietigd indien onredelijk bezwarend. Art. 6:236
aanhef en onder n BW. Conclusie het mag helemaal niet, maar mevrouw heeft dat niet aangegeven
en gezegd dat het beding eigenlijk helemaal niet mag.
Arrest HR Heesakkers/Voets: geschil tussen aannemer en degene wiens woning hij ging renoveren.
De rechter begint met toets toepasselijkheid richtlijn 93/13
- Nationale rechter is dus gehouden ambtshalve na te gaan of een contactueel beding valt onder
richtlijn 93/13 en zo ja te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien hij over de daartoe
noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechts beschikt.
- Toepassing casus: van der nat is een consument. Algemene voorwaarde is geen voorwerp van
individueel onderhandelingen geweest. Richtlijn 93/13 is dus van toepassing.
Is een dergelijk beding toegestaan?
- Indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van richtlijn 93/13, hij
gehouden is het beding te vernietigen. Heesakker/voets rov. 3.7.1-3.73.
- Toepassing casus: de rechter moet ambtshalve toetsen of het beding oneerlijk is. Zie art. 6:263
aanhef en sub n BW. Gevolg? Vernietiging beding op grond van art. 6:233a BW.
Forumkeuzebeding is van tafel terugvallen op hoofdregel (art. 99 RV).
Conclusie: procederen in Groningen en niet in Zeeland. De rechter moet ambtshalve toetsen of de
forumkeuze is toegestaan op grond van het arrest Heessakkers/Voets, omdat Richtlijn 93/13 (over
onredelijke bedingen in consumentenzaken) van toepassing is. Europees recht gaat voor RV.
Vraag 5
a) Mevrouw Capuano vond dat er in haar civiele zaak niet binnen een redelijke termijn (art. 6 lid
1 EVRM) een behandeling heeft plaatsgevonden. In totaal duurt haar zaak bij de rechtbank in
totaal 6 jaar en daarna is er na 4 jaar geen uitspraak in het hoger beroep, dus stapt ze naar het
EHRM. Art. 6 EVRM: eerlijke en openbare behandeling, redelijk termijn en onafhankelijk en
onpartijdig gerecht (recht op een eerlijk proces).
b) Complexiteit zaak (feiten/recht), gedrag van partij zelf, gedrag van het gerecht zelf.
Volgens het hof was de zaak niet ingewikkeld (geen lastige zaak), zowel de feiten als de
relevante wetsartikelen niet. Ook de vertraging als gevolg van de dood van de raadsman van
de eiseres komt niet voor rekening van de eiseres. De eisers heeft niet meer gedaan dan zich
voor het overgrote deel juist op te stellen. Sommige dingen konden wel worden toegeschreven
aan haar. De vertraging van het deskundigenrapport had kunnen worden voorkomen als de
rechter had ingegrepen, hij is verantwoordelijk voor de snelheid van het proces. Dus vooral
het gedrag van de gerechtelijke autoriteiten was de oorzaak van de lange duur. De conclusie
was dat de zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld en dus art. 6 lid 1 EVRM is
geschonden. Dus krijgt Capuano een vergoeding van de Italiaanse staat. Mevrouw was
gedeeltelijk verantwoordelijk voor de lange duur van de procedure, haar door art. 6 EVRM
beschermde recht op een beslissing binnen een redelijke termijn is geschonden. Gevolg is
compensatie van 4000-5000 euro.
Week 1
Vraag 1
a) De Lange is de eiser en Smit de gedaagde. Art. 1 RV zegt dat je eerst moet kijken of
internationaal wat geregeld is. Deze casus heeft internationale aspecten, want de
onrechtmatige daad gepleegd in België. Ja er kan voor de Nederlandse rechter worden
geprocedeerd aangezien de gedaagde in ede, wat in Nederland ligt, woont. Dit volgt uit de
hoofdregel uit het EEX-vo II verdrag (art 4). De eiser moet naar de lidstaat naar de lidstaat van
gedaagde. De Nederlandse rechter is niet exclusief bevoegd. Kijken naar art. 5 EEX-Vo, dat de
uitzondering geeft voor een ander gerecht als de artikelen dat aangeven. Ook de Belgische
rechter is bevoegd aangezien het gaat om een verbintenis van een onrechtmatige daad (art. 7
aanhef en lid 2 EEX-Vo). De onrechtmatige daad is in België gepleegd dus ook daar kan de
zaak behandeld worden. Er kan voor de Nederlandse rechter geprocedeerd worden op
grond van art. 4 Brussel I-bis, maar de Nederlandse rechter is niet exclusief bevoegd. Op
grond van art. 7 Brussel I-bis kan ook bij de Belgische rechter geprocedeerd worden. De eiser
mag kiezen, dus de Lange.
b) Absoluut: de rechtbank (art. 42 RO) is bevoegd in civiele zaken voor de eerste aanleg. Dan
kijken naar art. 78 lid 1 RV en art. 261 lid 1 en 2 RV, het gaat om een dagvaardingsprocedure,
omdat het niet een verzoekschrift is, want in art. 6:162 BW noemt niet iets van een verzoek.
Omdat het om een bedrag van minder dan 25000 euro gaat is de kantonrechter bevoegd (art.
93 sub A RV). In art. 94 lid 1 volgt dat de vorderingen worden opgeteld tot de totale waarde,
dus 13500 euro. Relatief gaat om de plek waar in Nederland, dit zal de rechtbank zijn waar
Ede onder valt, de woonplaats van de gedaagde (art. 99 RV), Ede, arrondissement Gelderland,
locatie Arnhem.
c) Art. 110 RV: het moet gelijk aangegeven worden, mag alleen vooraf, als het proces al
begonnen is dan wordt hij bij die rechtbank afgemaakt. Tenzij vordering van 25000 of andere
uitzonderingen dan verwijst hij ambtshalve door.
Vraag 2
De Jong is eiser en Vink BV is de gedaagde. Een verklaring voor recht wordt gevorderd, is iemand
überhaupt aansprakelijk (art. 3:302 BW). Geen internationale aspecten.
Het absoluut bevoegde recht is de rechtbank, omdat het gaat om een civiele procedure in eerste aanleg
(art. 42 RO). Eerst kijken naar art. 78 RV en dan 261 RV (wat blijkt daaruit). Kijken naar materiele
wet art. 3:302 BW, er staat niks over een verzoek, dus het gaat om een dagvaardingsprocedure. De
kantonrechter is niet bevoegd omdat het gaat om een bedrag van meer dan 25000 euro (art. 93 sub B
RV), want er is nog geen concreet bedrag gevorderd, het gaat nog om een schatting. Dus gaan ze naar
de civiele rechter.
De relatieve bevoegdheid is de woonplaats van de gedaagde, art. 99 RV. De gedaagde is Vink BV. Dat
ligt in Amsterdam, maar een bv kan niet voor de rechter worden gedaagd, want is een rechtspersoon
(art. 1:10 BW). BV, statutaire zetel is gevestigd in Amsterdam, dus dat is de woonplaats van gedaagde.
In art. 1:14 staat dat de locatie van het filiaal, dus de Utrechtse Heuvelrug, kan ook. Dus rechtbank in
Amsterdam of Rechtbank midden-Nederland. Mede, dus de eiser, de Jong, mag kiezen. Eventueel art.
102 RV (plaats schadebrengende feit).
Vraag 3
Geen internationale aspecten. De rechtbank is absoluut competent, art. 42 RO.
Eerst kijken in art. 78 lid 1 en art. 261 lid 1 & 2. Een echtscheiding (art. 1:150 BW) is een
verzoekschriftprocedure (art. 261 RV). De kantonrechter is niet bevoegd voor verzoekschriften dus de
zaak wordt door een rechter gedaan. In art. 1:150 BW staat niet dat de kantonrechter bevoegd is. Let
op art. 815 e.v. bevatten nog aanvullende procesregels voor echtscheidingszaken.
, De bevoegde rechter bij een verzoekschrift is de rechte van de woonplaats van verzoeker en
woonplaats van belanghebbende (art. 262 RV). Peter is de verzoeker en woont in Rotterdam dus bij
rechtbank Rotterdam kan de procedure aanhangig worden gemaakt. Sanne is belanghebbende, dus
ook locatie Dordrecht is bevoegd.
Vraag 4
Het gaat om een dagvaardingsprocedure. Het gaat om een kantonrechter zaak, want consumentenzaak,
sub C art. 93 RV.
Art. 99 RV: woonplaats gedaagde, dus in Groningen, maar er is een forumkeuzebeding opgenomen
voor de vestiging van de verkoper (Terneuzen), mag dat en moet de rechter dit ambtshalve toetsen?
Een forumkeuzebeding mag, je mag met je wederpartij afspreken dat je naar die locatie gaat bij een
geschil.
Richtlijn 93/13 en boek 6 BW (art. 6:231 BW). Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen
consumentenovereenkomsten, art. 6:233a BW. Vernietigd indien onredelijk bezwarend. Art. 6:236
aanhef en onder n BW. Conclusie het mag helemaal niet, maar mevrouw heeft dat niet aangegeven
en gezegd dat het beding eigenlijk helemaal niet mag.
Arrest HR Heesakkers/Voets: geschil tussen aannemer en degene wiens woning hij ging renoveren.
De rechter begint met toets toepasselijkheid richtlijn 93/13
- Nationale rechter is dus gehouden ambtshalve na te gaan of een contactueel beding valt onder
richtlijn 93/13 en zo ja te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien hij over de daartoe
noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechts beschikt.
- Toepassing casus: van der nat is een consument. Algemene voorwaarde is geen voorwerp van
individueel onderhandelingen geweest. Richtlijn 93/13 is dus van toepassing.
Is een dergelijk beding toegestaan?
- Indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van richtlijn 93/13, hij
gehouden is het beding te vernietigen. Heesakker/voets rov. 3.7.1-3.73.
- Toepassing casus: de rechter moet ambtshalve toetsen of het beding oneerlijk is. Zie art. 6:263
aanhef en sub n BW. Gevolg? Vernietiging beding op grond van art. 6:233a BW.
Forumkeuzebeding is van tafel terugvallen op hoofdregel (art. 99 RV).
Conclusie: procederen in Groningen en niet in Zeeland. De rechter moet ambtshalve toetsen of de
forumkeuze is toegestaan op grond van het arrest Heessakkers/Voets, omdat Richtlijn 93/13 (over
onredelijke bedingen in consumentenzaken) van toepassing is. Europees recht gaat voor RV.
Vraag 5
a) Mevrouw Capuano vond dat er in haar civiele zaak niet binnen een redelijke termijn (art. 6 lid
1 EVRM) een behandeling heeft plaatsgevonden. In totaal duurt haar zaak bij de rechtbank in
totaal 6 jaar en daarna is er na 4 jaar geen uitspraak in het hoger beroep, dus stapt ze naar het
EHRM. Art. 6 EVRM: eerlijke en openbare behandeling, redelijk termijn en onafhankelijk en
onpartijdig gerecht (recht op een eerlijk proces).
b) Complexiteit zaak (feiten/recht), gedrag van partij zelf, gedrag van het gerecht zelf.
Volgens het hof was de zaak niet ingewikkeld (geen lastige zaak), zowel de feiten als de
relevante wetsartikelen niet. Ook de vertraging als gevolg van de dood van de raadsman van
de eiseres komt niet voor rekening van de eiseres. De eisers heeft niet meer gedaan dan zich
voor het overgrote deel juist op te stellen. Sommige dingen konden wel worden toegeschreven
aan haar. De vertraging van het deskundigenrapport had kunnen worden voorkomen als de
rechter had ingegrepen, hij is verantwoordelijk voor de snelheid van het proces. Dus vooral
het gedrag van de gerechtelijke autoriteiten was de oorzaak van de lange duur. De conclusie
was dat de zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld en dus art. 6 lid 1 EVRM is
geschonden. Dus krijgt Capuano een vergoeding van de Italiaanse staat. Mevrouw was
gedeeltelijk verantwoordelijk voor de lange duur van de procedure, haar door art. 6 EVRM
beschermde recht op een beslissing binnen een redelijke termijn is geschonden. Gevolg is
compensatie van 4000-5000 euro.