BEDRIJFSECONOMISCH ONDERZOEK
SAMENVATTING ALLE HOORCOLLEGES
,TOPIC 1 INLEIDING
BEDRIJFSPROBLEEM
Wanneer doet een bedrijfsprobleem zich voor?
Eigenschappen goed bedrijfsprobleem:
• Uitvoerbaar:
- Het probleem is afgebakend
- Het probleem kan in variabelen uitgedrukt worden
- De benodigde data is te verkrijgen: Bestaande data / Nieuwe data
• Relevantie:
- Praktische relevantie
Wie heeft er baat bij dat het probleem opgelost wordt?
- Managers: van één bedrijf of in één industrie of in meerdere industrieën
- Eindgebruikers (consumenten, investeerders, belastingbetalers, ......)
- Beleidsmakers (overheden, EU, …)
- Academische relevantie
Is het probleem nog niet opgelost in eerder onderzoek?
- Nieuw topic
Het topic is belangrijk, maar er is nog geen onderzoek over gedaan.
- Nieuwe context
Er is eerder onderzoek gedaan, maar niet in deze context.
- Integreren van versnipperd bestaand onderzoek
bijvoorbeeld verschillende studies hebben gefocust op verschillende IV’s/moderatoren; het
relatieve belang van de variabelen is onbekend
- Verzoenen van tegenstrijdige resultaten in bestaand onderzoek
bijvoorbeeld uitleggen door moderatoren te introduceren
Wat is een variabele?
Kenmerken:
• Moet variëren:
- op verschillende tijdstippen voor eenzelfde persoon/bedrijf
- op dezelfde tijd voor verschillende personen/bedrijven
• Moet meetbaar zijn
• Moet concreet zijn
,PROBLEEMSTELLING
Wat is een goede probleemstelling?
• Geformuleerd in termen van:
- variabelen
- relaties
• Open vraag
• Helder/ondubbelzinnig geformuleerd
• Praktisch en academisch relevant
ONDERZOEKSVRAGEN
Wat zijn goede onderzoeksvragen?
• Moeten gezamenlijk de probleemstelling beantwoorden
Eén probleemstelling wordt vertaald naar meerdere onderzoeksvragen
• Eerst theoretische, dan praktische onderzoeksvragen
In de volgorde waarin ze behandeld worden in je onderzoeksvoorstel
• Helder en ondubbelzinnig geformuleerd
Geen vage elementen
Theoretische onderzoeksvragen
• Contextuele vraag “Wat is …”
Alleen als de context om uitleg vraagt
• Conceptualisatie vraag “Wat is ….”
Alleen voor de variabelen die uitleg behoeven
• Relatie vraag “Welke variabele …”;
“Hoe wordt … beïnvloed door …”
“Hoe hangt het effect van … op … af van …”)
Alle relaties uit de probleemstelling moeten behandeld worden.
Praktische onderzoeksvragen
• Relatie vraag “In welke mate …” / “In hoeverre …”)
Wat is de (relatieve) sterkte van de relaties?
• Implicatie vraag
Hoe kunnen managers de resultaten van de studie implementeren? Open vraag.
moet altijd in een onderzoek zitten.
THEORETISCH KADER
Het theoretisch kader bestaat uit:
• Definities van variabelen
Vermijd jargon, gebruik simpele en alledaagse termen. Voorbeelden zijn geen substituut voor een
definitie. Gebruik altijd precies dezelfde naam voor je variabele gedurende het gehele onderzoek.
Definities moeten gebaseerd zijn op een zorgvuldig literatuuroverzicht.
, • Conceptueel model: grafische weergave
Variabelen als bouwstenen: afhankelijke, onafhankelijke, mediërende en modererende variabelen.
Pijlen stellen relaties voor: hoofdeffect, direct en indirect effect, modererend effect
Mediator
De mediërende variabele verklaart het mechanisme tussen X en Y
Moderator
De modererende variabele is een variabele die de sterkte en soms zelfs de richting (positief ↔
negatief) van de relatie tussen X en Y verandert.