HC 1: Wetenschapsfilosofie
Twee perspectieven om de wetenschap te bestuderen descriptief en normatief.
Descriptief (beschrijvend):
● Wat is er gebeurd?
● Hoe is iets tot stand gekomen?
● Hoe is theorie Q uit theorie P voortgekomen?
Normatief:
● Wat is een goede theorie?
● Hoe is wetenschappelijke kennis te rechtvaardigen.
● Onderscheid echte kennis vs. pseudo kennis (geen goede wetenschappelijke kennis)?
● Wat is een adequate wetenschappelijke verklaring?
Wetenschap is soms een grillig proces.
- Darwin en de evolutietheorie: wetenschappelijke fondsen kunnen ontstaan op allerlei
verschillende manieren maar hoe we het rechtvaardigen gaat anders.
Wat is onderscheidend aan wetenschap?
Common sense visie
➔ Logische afleidingen.
➔ Empirisch vastgestelde feiten.
➔ Theorie gebaseerd op de feiten.
➔ Repliceerbaarheid.
➔ Falsifieerbaarheid.
➔ Normen en waarden doen er niet toe.
➔ Geen externe invloeden.
➔ Neutraal bij de acceptatie.
➔ Maatschappelijk waardenvrij.
Ook hier: descriptief - normatief?
Kloppen de elementen van de common sense visie?
Descriptief: strookt een element met hoe het in het echt gaat? Klopt die common sense visie
eigenlijk wel met hoe het in de wetenschap het er werkelijkheid aan toe gaat?
Normatief: is het element een goed en bruikbaar ideaal voor wetenschap?
Theorieën/studies van wetenschappers vs. gedrag van wetenschappers
Normen kunnen betrekking hebben op wetenschappelijk werk, bijvoorbeeld een theorie of een
bepaalde situatie (normatief):
- Is de theorie consistent?
- Volgt de hypothese uit de theorie?
- Zijn de conclusies toetsbaar? Weerlegbaar?
Of op gedrag van de wetenschappers (normatief):
- Hebben ze de feiten netjes opgeschreven?
- Hebben ze hun resultaten netjes gedeeld?
- Hebben ze zich onafhankelijk opgesteld?
- Zijn ze niet dogmatisch geweest?
, 2
→ Ethiek in de wetenschap.
Ethiek in de wetenschap
Robert Merton (1910-2003): Amerikaans socioloog. Welke normen gelden bij de subcultuur van
wetenschappers onder elkaar: The normative structure of science (1942): beschrijft het ethos
van wetenschap.
De CUDOS normen:
1. Communism
2. Universalism
3. Disinterestedness
4. Organized Skepticism
Kritiek van John Ziman (1925-2005), theoretisch natuurkundige. Real Science: What it is and
what it means. CUDOS slaat niet op industriële en overheids-research labs. Geen universele
scope. Dit is descriptieve kritiek geweest.
Maar de CUDOS normen kunnen ook normatief worden opgevat: zo is het misschien niet maar
zo zou het moeten zijn.
→ Gedragscode VSNU 2018.
→ Klachtenregeling VU & VUmc.
VSNU gedragscode:
Bestaat uit 5 principes.
1. Eerlijkheid en zorgvuldigheid.
2. Betrouwbaarheid.
3. Controleerbaarheid.
4. Onpartijdigheid.
5. Verantwoordelijkheid.
→ Uitwerking in 61 normen goede onderzoekspraktijken.
Normatieve theorie m.b.t. wetenschap:
1e kandidaat: Empirisme
- Kennis is gebaseerd op waarnemingen en experiment.
- ^Samen met inductieve methode leidt het tot kennis..
- Wetenschap zoekt naar universele wetten van de vorm “altijd als X, dan Y”.
- Inductie: Als X zeer vaak en onder veel verschillende omstandigheden
waargenomen is; en als X steeds samen met Y optrad, dan is de conclusie “Altijd
als X, dan Y” gerechtvaardigd.
- Raaf 1 is zwart, Raaf 2 is zwart, Raaf 3 is zwart, Raaf 4 is zwart.
Conclusie: alle raven zijn zwart.
- Logisch niet geldig.
Logisch positivisme
- Bakermat moderne wetenschapsfilosofie.
- Gezelschap geleerden die de wereld wilden verbeteren.
- Wars van hoogdravende speculatieve ideeën en theorieën.
- Logica.
, 3
- Variant van empirisme.
- Ze wilden terug naar zo weinig mogelijk speculaties en alleen wetenschappelijke kennis
op basis van empirische observaties en experimenten. Ontwikkelden een normatieve
theorie over wat goede wetenschappelijke kennis is. Centraal element hieruit is:
- Verificatie-criterium van betekenis: een uitspraak heeft alleen betekenis als er
omstandigheden kunnen worden gespecificeerd waaronder de uitspraak waar is,
daar ontleent ze haar betekenis aan.
Logisch positivisten vonden dan ook over natuurkundige beweringen zoals elektronen en
atomen dat je niet daarover zulke uitspraken kon doen, want je kon het niet waarnemen. Ook
de psychologie stond onder het bespreekpunt. Want mentale processen kon je ook niet
waarnemen, er moest gekeken worden naar het gedrag van deze mensen want dat kan wel
waargenomen worden.
Deductieve redenering:
Premisse 1: Socrates is een mens.
Premisse 2: Alle mensen zijn sterfelijk.
Conclusie: Socrates is sterfelijk.
→ Deductie is waarheid behoudend, de conclusie wordt afgedwongen/ volgt noodzakelijker
wijze uit de premissen. Als de premissen waar zijn is een conclusie ook waar bij een deductieve
redenering.
Premisse 1: Jan is hier of Piet is hier.
Premisse 2: Jan is niet hier.
Conclusie: Piet is hier.
→ Logische geldigheid is niet hetzelfde als waarheid. Je kan namelijk een logisch geldige
redenering maken die vervolgens op een onware conclusie uitkomt. Maar ook een ware
redenering met een logisch niet geldige conclusie.
Inductief en deductief bij elkaar: Empirische cyclus: (+ een voorbeeld over bloed)
, 4
HC 2: Popper en Kuhn
Positivisme = de visie dat kennis alleen gebaseerd kan zijn op de directe zintuiglijke
waarneming en dat andersoortige claims luchtfietserij zijn. Er is een verwantschap met
naturalisme maar de twee visies zijn niet identiek.
Logisch positivisme = positivisme gecombineerd met inzichten uit de logica:
● Inductie gebruiken om van waarneming naar theorie te komen.
● Predikaatlogica als strenge grammatica.
Terug naar een empirische grondslag waarbij de implicatie daarvan was dat termen die niet
gekoppeld kunnen worden aan waarneming moeten worden verwijderd. Alleen termen die
rechtstreeks samenhangen met of gekoppeld kunnen worden aan waarneming worden
toegestaan. Termen moeten kunnen worden geoperationaliseerd (verbinding met waarneming
= empirische termen).
Kritiek op logisch positivisme aanvullingen bij het boek:
- Inductieprobleem.
- Geen theorievrije waarneming (denk ook aan voorbeeld van Herschel).
- Inductie veronderstelt een gelijkenissen-metriek, een idee van uniformiteit. Om te
kunnen vaststellen dat twee objecten hetzelfde zijn, moet ik al een idee hebben om te
classificeren. Hoe ik de waarnemingen aan elkaar schakel betekent dat ik al een
beslissing heb genomen over wat ik wel tel als bijvoorbeeld een raaf en wat ik niet tel als
een raaf.
Aanleiding voor Popper:
Deze kritiekpunten hierboven vormen een aanleiding voor ideeën van Karl Popper.
+ Het idee dat deductie wel logisch geldig is → Popper vertrekt vanuit deductie.
Modus Ponens:
P→Q Als het regent, word je nat
P Het regent
--------- ------------------------------------
Q Ik word nat
Modus Tollens:
P→Q Als het regent, word je nat
ㄱQ Ik word niet nat
--------- -----------------------------------
ㄱP Het regent niet
Modus tollens is de logische vorm voor de basis van Popper.
Hypothese, voorspellend experiment, waarneming:
Logische vorm = modus tollens.
Toepassing: