Vastgoedeconomie
Week 1 vrijdag 15 november
Basisbegrippen algemene economie
Boek H1: Inleidende begrippen in de economie
Boek H2: Macro-economie
Hoofdstuk 1: Inleidende begrippen in de economie
Economie = ‘oikos’ (huis) en ‘nomos’ (regels) -> huishoudkunde
De wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen maken die bij productie,
consumptie en distributie van schaarste goederen en diensten.
Mensen streven naar maximale behoeftebevrediging -> begrip ‘nut’
Schaarse middelen zijn alternatief aanwendbaar, bijvoorbeeld: tijd, geld
Wat is welvaart?
Welvaart is de verdeling van schaarse middelen voor de bevrediging van behoeften; de mate
waarin voor iedereen is voorzien.
Dus ook:
- Inkomens-/welvaartsverdeling
- En zowel meetbare effecten als moeilijk meetbare effecten
Economie is geen exacte wetenschap (meer een gedragswetenschap). Vaak gebruiken van
modellen om economie te beschrijven/analyseren.
Welvaart wordt vaak berekend aan de hand van het BBP.
Primaire en secundaire inkomensverdeling.
Lorens curve als maat voor inkomensverdeling in een plaats/regio/land.
Economische kringloopmodel:
Eerst: alleen gezinnen en bedrijven
Gezinnen leveren productiefactoren (KANO): Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemerschap
Kapitaal: geld wat je kan investeren
Natuur: grondstoffen, oliemaatschappijen (alles wat op aarde aanwezig is).
Centraal geleide economie Vrijemarkteconomie
<- Georiënteerde markteconomie ->
Omvang van (rol/ingrijpen van) de overheid bij o.m. marktfalen en marktimperfecties.
Centraal geleide economie: overheid stelde productieplannen op en die moest aan het einde
van het jaar gehaald worden.
Vrijemarkteconomie: zo min mogelijk overheidsbemoeienis
In de economie wordt een onderscheid gemaakt tussen:
, - H2 Macro-economie – waar vragen naar voren komen over de nationale en
wereldwijde economie, zoals werkloosheid, inflatie en rentestanden.
- H3 Meso-economie – bedrijfstak en concurrentieverhoudingen.
- H4 Micro-economie – over het keuzegedrag van bedrijven en consumenten.
Waar kijkt ‘de economie’ naar?
- Omvang/samenstelling (beroeps)bevolking
- Aanwezigheid en inzet van productiefactoren
- Structuur, stand technologie
- Behoefteschema’s consumenten
Economische indicatoren: bbp-groei, conjunctuur, inflatie, rente, wisselkoersen.
Hoofdstuk 2: Macro-economie:
Sectoren in de economie – naast gezinnen en bedrijven ook overheid.
Sectoren in de economie – naast gezinnen, bedrijven en overheid ook een belangrijke rol
voor financiële instellingen.
Begrippen rond de economische kringloop
- Twee methodes, objectief en subjectief (p35)
- Primaire inkomen
- Bruto Binnenlands Product (BNP, p35) en Bruto Nationaal Inkomen (BNI, p36)
Subjectieve methode: alle productiefactoren optellen (KANO)
Objectieve methode: som van toegevoegde waardes (par 2.4)
BBP op twee manieren
1) Met Y = C + S + B
2) Met Y = C + I + O + (E – M)
BBP meet echter niet alle economische activiteit
Formele economie: alles waar een inkomen voor wordt ontvangen
Informele economie: al het vrijwilligerswerk, eigen onderhoud/klussen, maar ook criminele
activiteiten.
Werkgelegenheid/-loosheid
Redenen werkloosheid
- Conjunctureel -> schommelingen van de economie
- Structureel
- Seizoen
- Frictie
Schommeling in BBP door de jaren heen – er zijn verschillende soorten golven. Dit is de
bekendste (Juglar).
Laagconjunctuur: neergang – recessie – herstel
, Hoogconjunctuur: opleving – overspanning (crisis)
Indicatoren: producenten en consumentenvertrouwen zijn twee belangrijkste indicatoren
die het CBS meet.
Conjunctuur -> vraagkant van de economie
Overheid probeert extremen te dempen – contra cyclisch beleid
Doelen overheid:
- (Volledige) werkgelegenheid
- Rechtvaardige inkomensverzekering
- Stabiel prijspeil
- Evenwicht betalingsbalans
Indicatoren oor OG-markt
- Groep BBP
- Conjunctuur-situatie
- Consumentenvertrouwen
- Werkgelegenheid, lonen, etc.
- Inflatie
- (Internationale) renteontwikkelingen
- Energieprijzen
Structuurbeleid
Structuur -> aanbodkant van de economie
Door:
- Wet-/regelgeving
- Infrastructuur
Stuurt overheid soort, aard, karakter van de industrie
Week 1 vrijdag 15 november
Basisbegrippen algemene economie
Boek H1: Inleidende begrippen in de economie
Boek H2: Macro-economie
Hoofdstuk 1: Inleidende begrippen in de economie
Economie = ‘oikos’ (huis) en ‘nomos’ (regels) -> huishoudkunde
De wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen maken die bij productie,
consumptie en distributie van schaarste goederen en diensten.
Mensen streven naar maximale behoeftebevrediging -> begrip ‘nut’
Schaarse middelen zijn alternatief aanwendbaar, bijvoorbeeld: tijd, geld
Wat is welvaart?
Welvaart is de verdeling van schaarse middelen voor de bevrediging van behoeften; de mate
waarin voor iedereen is voorzien.
Dus ook:
- Inkomens-/welvaartsverdeling
- En zowel meetbare effecten als moeilijk meetbare effecten
Economie is geen exacte wetenschap (meer een gedragswetenschap). Vaak gebruiken van
modellen om economie te beschrijven/analyseren.
Welvaart wordt vaak berekend aan de hand van het BBP.
Primaire en secundaire inkomensverdeling.
Lorens curve als maat voor inkomensverdeling in een plaats/regio/land.
Economische kringloopmodel:
Eerst: alleen gezinnen en bedrijven
Gezinnen leveren productiefactoren (KANO): Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemerschap
Kapitaal: geld wat je kan investeren
Natuur: grondstoffen, oliemaatschappijen (alles wat op aarde aanwezig is).
Centraal geleide economie Vrijemarkteconomie
<- Georiënteerde markteconomie ->
Omvang van (rol/ingrijpen van) de overheid bij o.m. marktfalen en marktimperfecties.
Centraal geleide economie: overheid stelde productieplannen op en die moest aan het einde
van het jaar gehaald worden.
Vrijemarkteconomie: zo min mogelijk overheidsbemoeienis
In de economie wordt een onderscheid gemaakt tussen:
, - H2 Macro-economie – waar vragen naar voren komen over de nationale en
wereldwijde economie, zoals werkloosheid, inflatie en rentestanden.
- H3 Meso-economie – bedrijfstak en concurrentieverhoudingen.
- H4 Micro-economie – over het keuzegedrag van bedrijven en consumenten.
Waar kijkt ‘de economie’ naar?
- Omvang/samenstelling (beroeps)bevolking
- Aanwezigheid en inzet van productiefactoren
- Structuur, stand technologie
- Behoefteschema’s consumenten
Economische indicatoren: bbp-groei, conjunctuur, inflatie, rente, wisselkoersen.
Hoofdstuk 2: Macro-economie:
Sectoren in de economie – naast gezinnen en bedrijven ook overheid.
Sectoren in de economie – naast gezinnen, bedrijven en overheid ook een belangrijke rol
voor financiële instellingen.
Begrippen rond de economische kringloop
- Twee methodes, objectief en subjectief (p35)
- Primaire inkomen
- Bruto Binnenlands Product (BNP, p35) en Bruto Nationaal Inkomen (BNI, p36)
Subjectieve methode: alle productiefactoren optellen (KANO)
Objectieve methode: som van toegevoegde waardes (par 2.4)
BBP op twee manieren
1) Met Y = C + S + B
2) Met Y = C + I + O + (E – M)
BBP meet echter niet alle economische activiteit
Formele economie: alles waar een inkomen voor wordt ontvangen
Informele economie: al het vrijwilligerswerk, eigen onderhoud/klussen, maar ook criminele
activiteiten.
Werkgelegenheid/-loosheid
Redenen werkloosheid
- Conjunctureel -> schommelingen van de economie
- Structureel
- Seizoen
- Frictie
Schommeling in BBP door de jaren heen – er zijn verschillende soorten golven. Dit is de
bekendste (Juglar).
Laagconjunctuur: neergang – recessie – herstel
, Hoogconjunctuur: opleving – overspanning (crisis)
Indicatoren: producenten en consumentenvertrouwen zijn twee belangrijkste indicatoren
die het CBS meet.
Conjunctuur -> vraagkant van de economie
Overheid probeert extremen te dempen – contra cyclisch beleid
Doelen overheid:
- (Volledige) werkgelegenheid
- Rechtvaardige inkomensverzekering
- Stabiel prijspeil
- Evenwicht betalingsbalans
Indicatoren oor OG-markt
- Groep BBP
- Conjunctuur-situatie
- Consumentenvertrouwen
- Werkgelegenheid, lonen, etc.
- Inflatie
- (Internationale) renteontwikkelingen
- Energieprijzen
Structuurbeleid
Structuur -> aanbodkant van de economie
Door:
- Wet-/regelgeving
- Infrastructuur
Stuurt overheid soort, aard, karakter van de industrie