1. Intro, geschiedenis en concepten
How do people make sense to their social environment?
Sociale cognitie is het zinvol zijn voor onze social omgeving, een sociale waarde construeren.
Hoe denken en voelen we ons bij onze sociale omgeving? Sociale omgeving zijn andere mensen
zoals vrienden, familie of groepen waar we bijhoren.
Hoe vormen we impressies van die andere mensen?
Hoe voelt de interactie met de ander voor ons?
Hoe zorgt interactie ervoor dat ons gedrag verandert?
Wat beïnvloed ons sociale gedrag?
Construeren van een sociale werkelijkheid (social reality)
Er zijn drie facetten die invloed hebben op het construeren van een sociale werkelijkheid:
Situatie
Wat gebeurt er? Wie is betrokken in deze specifieke situatie?
Persoon
Wie verwerkt de informatie? Welke persoonlijkheid heeft de persoon?
Cognitief proces
Hoe wekt het denken en voelen?
Voorbeeld: iemand wil brood kopen in de supermarkt en wil afstand houden om de verspreiding van
het coronavirus te voorkomen. Als er een markering op de grond staan weet je hoe ver je van de
ander weg moet blijven. Als er iemand vlakbij je in de winkel loopt is het echter moeilijk in te
schatten hoe ver je afstand moet nemen. Het ligt aan persoon of je risico wilt lopen liever te ver weg
van die persoon wilt zijn of dat het je niet uitmaakt als je te dichtbij komt. Je gebruikt ook je
cognitieve processen om te bedenken of je naar de supermarkt gaat, wat je nodig hebt, berekenen
hoeveel het kost etc.
Sociale cognitie is een combinatie van ideeën
Fenomenologie
Systematische beschrijving van hoe mensen zeggen dat ze zichzelf en hun omgeving ervaren in
een sociale omgeving.
Bijvoorbeeld lay theorie, everyday psychologie en mentale modellen
Cognitieve psychologie
Bestuderen van verschillen en manieren van denken, leren, onthouden etc. Modellen van
informatie processen en onthouden. Hoe gaan mensen om met informatie?
1
,Wetenschappelijke vragen in sociale cognitie
Hoe is sociale informatie geëncodeerd, gesorteerd en uit het geheugen opgehaald?
Hoe is sociale kennis gestructureerd en weergeven?
Hoe worden sociale vooroordelen en beslissingen gemaakt?
Toepassing van sociale cognitie
Marketing
Promoten van producten en service
Publiek beleid
Organiseren van de bevolking
Management
Condities voorzien voor een hoge productiviteit
Publieke relaties
Engaging publieke meningen
Journalistiek
Effectief communiceren
NGOs
Mobiliseren van supporters en services effectief laten verlopen
In het leven
Begrijpen van jezelf en anderen in sociale contexten
Theorieën van de roots (oorsprong) van sociale cognitie
Welke theorieën zijn er?
Maken van rationele keuzes
1. Rational
Mensen kijken naar hun omgeving op een rationele manier.
2. Maximizing utility
Mensen doen wat het beste voor hun is.
3. Objective
Vrij van emoties.
4. Logisch
Vrij van cognitieve proces fouten en biassen.
2
,5. 2. Geheugen
Quote: We don’t replay events as they happen, but we reconstruct them.
Geheugen is moeilijk om te bestuderen. Mensen zijn gemotiveerd om dingen te vertellen die niet
echt gebeurt zijn. Soms is de informatie die ons geheugen zit niet echt, maar is het zo opgeslagen
in je geheugen. Je kunt dit testen met een polygrafie test. Een leugen zorgt namelijk automatisch
voor arousal, wat met deze test gemeten wordt. Echter als iemand zegt dat hij het zo herinnerd
(ook al is he niet zo), hoeft niet te betekenen dat iemand opzettelijk liegt. Als er een gebeurtenis
plaatsvindt sla je het op een bepaalde manier op, je reconstrueert het. Ons geheugen is niet
compleet en accuraat.
Hoe is informatie georganiseerd in ons geheugen?
1. Je ontvangt de informatie door een soort filter, onze perceptie. Je kunt je niet alles herinneren
wat er gebeurt is, omdat je je niet kunt realiseren wat er allemaal gebeurt.
2. In je hersenen wordt deinformatie die je ontvangt geëncodeerd. Je representeert de informatie
die je ontvangt vanuit de wereld
3. Deze informatie wordt opgeslagen (storage), het verleden wordt hier levend gehouden.
4. Vanuit deze opslag kun je de informatie ophalen (retrieval).
Deze weg die informatie aflegt is bidirectioneel, dus twee kanten op. Het type geheugen wat je hebt
opgeslagen, kan beïnvloeden wat je encodeert. Als je bijvoorbeeld gisteren iets gegeten hebt en
iemand stelt voor om hetzelfde vandaag te eten beïnvloed elkaar. Je haalt herinneringen op wat met
dat specifieke eten te maken heeft.
3
,Onderzoek Ebbinghaus (1855)
Ebbinghaus probeerde het geheugen te bestuderen zonder ‘meaning’ erbij te betrekken. Dus zonder
invloed van eerdere herinneringen en zonder invloed van triggers of associaties. Als je bijvoorbeeld
aan de kleur bruin denkt kun je aan een teddybeer denken en daardoor een positieve associatie met
de kleur bruin hebben.
Ebbinghaus onderzocht het geheugen door onzinwoorden te onthouden. Hierbij was de volgorde
altijd medeklinker (consonant), klinker (vowel) en dan weer een medeklinker. Hij onthield steeds
minder, waarvan hij in een forgetting curve heeft gemaakt die er als volgt uitziet:
Om iets niet te vergeten moet je actief recallen. Je herhaalt de dingen die je onthouden moet zodat
ze beter blijven hangen. Hierdoor vergeet je minder informatie.
Flashbulb memory
Er zijn ook andere factoren die beïnvloeden hoe goed we dingen onthouden. Bijvoorbeeld hoe
belangrijk de informatie is die we willen onthouden, zoals wanneer het gerelateerd is aan een
belangrijke gebeurtenis. Dit heet flashbulb memory: een zeer gedetailleerde snapshot die in je
geheugen gebrand staat. Dit is vaak zo bij verrassende, shockerende, emotionele betekenisvolle
(meaningful) momenten. Meaning kan een trigger zijn waarom specifieke gebeurtenissen
makkelijker onthouden kunnen worden.
4
, Lange termijn geheugen
Het korte termijngeheugen is voor alles dat je je kunt herinneren een paar minuten nadat het
gebeurt is en daarna vergeet je het weer.
Het lange termijngeheugen is voor wat je je voor een langere tijd herinnerd, bijvoorbeeld twee jaar.
Het lange termijngeheugen bestaat uit een expliciet/declarative geheugen en uit een impliciet
geheugen, die zelf ook weer uit te splitsen zijn.
Expliciet/declarative geheugen
Episodisch
Context specifieke herinneringen, zoals over situaties
Autobiografisch
Herinneringen over je eigen leven
Semantisch
Herinneringen over algemene gebeurtenissen in je omgeving
Impliciet geheugen
Priming
Activatie van netwerken in ons geheugen door externe invloeden. Dit wordt soms ook gezien als
een proces dat op het geheugen inwerkt in plaats van een geheugenfunctie.
Procedureel
Motorische vaardigheden, zoals hoe loop je.
Perceptueel
Je ervaring van de wereld om je heen.
5