Vraag 1: Welke verschillen en overeenkomsten bestaan er tussen recht en moraal.
Verschillen:
- Recht wordt centraal toegepast, maar moraal verschilt het juist per groep
- Recht gaat vooral om het uitwendige deel, terwijl moraal gaat het om het inwendige deel.
- Regels van het recht zijn vooral formeel en regels van het moraal zijn vooral informeel.
- Recht kan worden afgedwongen met regels en moreel niet.
Overeenkomsten:
- We spreken van morele normen in het rechtsstelsel en we spreken van normen waarvan wordt
verwacht dat een mens zich daaraan houdt.
Vraag 2: Wat verstaan we onder een brede en smalle rechtsmoraal?
Brede rechtsmoraal heeft betrekking op het gehele menselijk leven. Het gaat over ieders aspect van het
menselijk leven. Er worden regels gemaakt die gaan over je gehele menselijk leven en verder gaan dan
alleen het stukje vreedzaam samenleven. Denk aan het voorschrijven van kledingvoorschriften. Zonder
terughoudendheid!
Smalle rechtsmoraal is beperkt tot de noodzakelijkheid van vreedzame samenleving. Er worden regels
gemaakt met als doel om een vreedzame samenleving te creëren met vrede en niet verder te gaan dan
dat. Hoe kan je vreedzaam en in vrede met elkaar samenleven? In Nederland hebben wij ook een smalle
rechtsmoraal.
Vraag 3: Wat is het verschil tussen negatieve vrijheid, positieve vrijheid en wezensvrijheid?
- Negatieve vrijheid is de vrijheid van storende aanwezigheid. Andere mensen of de overheid
belemmert je. Je bent pas negatief vrij als er geen mensen zijn die met je leven bemoeien. Je bent pas
vrij, als er iets niet is.
Hoe minder invloed van andere, hoe groter de negatieve vrijheid.
Klassieke vrijheidsrechten
- Positieve vrijheid is de vrijheid van storende afwezigheid. Er zijn bepaalde voorzieningen die
ontbreken. Je bent belemmerd omdat bepaalde voorzieningen niet goed zijn geregeld en er niet zijn,
zoals recht op zorg of onderwijs.
Ik kan pas vrij zijn als dingen door de samenleving goed zijn geregeld. Je bent pas vrij als iets aanwezig
is en niet vrij als iets afwezig is.
Sociale vrijheidsrechten.
- Wezensvrijheid is de vrijheid om je onbelemmerd te ontplooien, vrij van interne belemmeringen.
Interne belemmeringen zijn geestelijke belemmeringen zoals verslavingen of begeerten die ons op
sleeptouw nemen. Je kunt je hierdoor onvrij in je hoofd voelen. Je bent bijna geen mens meer als je
die geestelijke belemmeringen niet weg laat nemen.
Vraag 4: Wanneer spreken we van geldend recht? Leg rechtspositivisme en natuurrechtsleer uit.
- Rechtspositivisme ziet het geldend recht als veranderlijke wet- en regelgeving die door de overheid is
uitgevaardigd, ZONDER een noodzakelijke verband met moraal. Het is het recht dat volgens de juiste
regels tot stand is gekomen. Denk aan procedurele vereisten. Immoreel en onrechtvaardig recht is ook
recht. Het is het uitgevaardigde recht.
- Natuurrechtsleer is het recht dat van nature geldt. Recht moet inhoudelijke in orde zijn en enigszins
moreel zijn om recht te kunnen heten.
Het recht en de inhoud werkt van nature en zo ook het verband met recht en moraal.
Immoreel recht en onrechtvaardig recht is geen recht! Het is gepositiveerd recht.
Vraag 5: Wat is het verschil tussen normatief en beschrijvend rechtspositivisme?
- Normatief rechtspositivisme
Het recht moet je altijd gehoorzamen! Immoreel recht en onrechtvaardig recht is ook recht.
Rechtszekerheid is het belangrijkste wat er is en wanorde is het ergste wat er is.
Elk recht is beter dan geen recht.
- Beschrijvend rechtspositivisme
Beschrijvend rechtspositivisme ziet op nette beschrijvingen van het recht, moraal wordt hier helemaal
buiten gelaten. Er zijn alleen juridische vraagstukken en geen morele vraagstukken/discussies.
, Deze zeggen tegen het normatieve dat ze recht en moraal mengen terwijl dat niet thuishoort in het
rechtspositivisme. Zij geven geen mening over gehoorzaamheid.
Vraag 6: Welke rechtswaarden bespreekt Radbruch? Geef ook de waarden die hij bespreekt.
Radbuch bespreekt die 3 kernwaarden die voor hem erg belangrijk zijn. Hij was eerst een normatief
rechtspositivist, maar werd na de 2e wereldoorlog een natuurrechtsaanhanger.
Voor hem waren de 3 kernwaarden voor de tweede wereldoorlog:
1. Rechtszekerheid: Het recht moet zekerheid hebben en niet morgen en vandaag van elkaar verschillen
en anders toepassen. Mensen moeten weten waar zij aan toe zijn.
2. Rechtvaardigheid: Het recht moet gelijkheid hebben. Het recht moet gelijk worden toegepast
3. Doelmatigheid: Wat voor het volk nuttig is. Het recht moet in diens belang van de staat worden
toegepast. Er moet een algemeen belang zijn die dient te worden nagestreefd.
Na de tweede wereldoorlog werd hij een natuurrechtsaanhanger. Hij vond dat recht altijd dient te worden
toegepast en rechtszekerheid dus bovenaan stond, maar als er sprake was van extreem onrecht het recht niet
hoeft te worden gehoorzaamd en dient te worden toegepast. Rechtsvaardigheid kwam heirdoor hoger te staan
dan de rechtszekerheid.
1. Rechtvaardigheid: Het recht moet gelijkheid hebben. Het recht moet gelijk worden toegepast
2. Rechtszekerheid: Het recht moet zekerheid hebben en niet morgen en vandaag van elkaar verschillen
en anders toepassen. Mensen moeten weten waar zij aan toe zijn.
3. Doelmatigheid: Wat voor het volk nuttig is. Het recht moet in diens belang van de staat worden
toegepast. Er moet een algemeen belang zijn die dient te worden nagestreefd.
Het verschil is dus dat bij extreem onrecht rechtvaardigheid bovenaanstond in plaats van rechtszekerheid.
Immoreel en onrechtvaardig recht diende dus niet te worden gehoorzaamd.
Vraag 7a: Welke waarden is volgens Radbuch het belangrijkste?
Voor de tweede wereldoorlog vond hij Rechtszekerheid het belangrijkste, want hij was een normatief
rechtspositivist. Hij vond dat recht altijd diende te worden gehoorzaamd of het nou immoreel of
onrechtvaardig was.
Na de tweede wereldoorlog werd hij natuurrechtsaanhanger en woog de rechtvaardigheid hoger op dan de
rechtszekerheid wanneer er sprake was van extreem onrecht. Hier diende dus immoreel recht en
onrechtvaardig recht niet te worden gehoorzaamd.
Vraag 7b: Is Radbuch positie natuurrechtelijk, recht positivistisch, beide of geen van beide?
Radbuch zijn positie was uiteindelijk een natuurrechtsaahanger. Hij vond dat het recht inhoudelijk in orde
moest zijn, enigszins moraal om recht te kunnen heten. Daarnaast was er van nature en verband tussen recht
en moraal.
Immoreel en onrechtvaardig recht diende niet te worden gehoorzaamd. Het was gepositiveerd recht.
Vraag 8: Wat verstaat Kelsen onder de Grundnorm? Is de Grund norm een rechtsnorm? Waarom wel en
waarom niet?
Grundnorm is een basisnorm die het recht geldend maakt, al hoewel het zelf geen geldend recht is. Het is een
norm die we moeten veronderstellen, een hypothetische grundnorm. Het is zelf geen geldend recht, maar
zorgt ervoor dat daar weer een nieuwe recht uit kan ontstaan.
Regels ontlenen hun geldigheid uit andere regels, niet uit feiten. Hier moet iemand wel bevoegd voor zijn.
Volgens Kelsen is een norm een geldende rechtsnorm als het is uitgevaardigd door een instantie die hiertoe
bevoegd was om die norm uit te vaardigen.
De bevoegdheidsnorm is ook een norm die is uitgevaardigd door een instantie die hiertoe bevoegd was om een
norm uit te vaardigen. Uiteindelijk stuit men om een rechtsnorm die niet meer te herleiden is tot een
bevoegdheidsnorm, denk aan de eerste grondwet. Van die norm nemen wij automatisch aan dat het een
geldend recht is, de grundnorm.
Grundnorm is hypothetisch en is zelf GEEN geldend recht, we veronderstellen het alleen. Het houdt slechts is
dat wat de eerste grondwetgever heeft uitgevaardigd, geldend rechts is.
, Grundnorm is letterlijk de basisnorm die de geldigheid van alle rechtsnormen binnen een rechtssysteem
vaststelt.
= Het is de start voor al het geldende recht, terwijl het zelf geen geldend recht is.
Grundnorm van kelsen moet een beginpunt hebben die we moeten veronderstellen. Die kan aan de hoogste
regel zijn geldigheid geven.
Indien de grundnorm wordt gezien als geldend recht moet er weer een norm zijn waar dit is afgeleid.
Vraag 9: Is Kelsen natuurrechtelijk of recht positivistisch?
Kelsen is een beschrijvend rechtspositivist. Hij vond dat er alleen nette beschrijvingen waren van het recht en
dat er dus geen band was met moraal en recht. Het gaat hier om juridische vraagstukken en niet om morele
vraagstukken.
Zij hadden geen mening over gehoorzaamheid.