1
Nieuw Nederlands
Theorieoverzicht 2 vwo
© Noordhoff Uitgevers bv
Noordhoff Uitgevers Groningen
, 2
H1: Onderwerp, deelonderwerpen en hoofdgedachte
Lezen
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is,
bijvoorbeeld: ruimtereizen. Om het onderwerp te vinden lees je de tekst oriën-
terend: je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea. Ook bekijk je de bron.
In het middenstuk van een tekst worden meestal verschillende aspecten
(delen) van het onderwerp besproken. Dit noemen we deelonderwerpen.
Bij het onderwerp ‘nieuwsmedia’ horen bijvoorbeeld de deelonderwerpen ‘kran-
ten’, ‘televisie’, ‘radio’ en ‘internet’. Om de deelonderwerpen te vinden lees je
de tekst globaal: je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea’s.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in
de tekst over het onderwerp gezegd wordt. Bij het onderwerp ‘ruimtereizen’
kan de hoofdgedachte zijn: Met ruimtereizen zal in de toekomst veel verdiend
worden.
De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: wat is het belangrijkste wat in
de tekst over het onderwerp wordt gezegd? Vaak vind je de hoofdgedachte in
de inleiding of het slot.
Om te bepalen wat de hoofdgedachte van een tekst is, moet je de tekst
precies lezen: je leest de tekst goed van de eerste zin tot en met de laatste zin.
H2: Hoofd- en bijzaken, kernzinnen en samenvatten
De belangrijkste informatie in een tekst noemen we de hoofdzaken. Wat niet
zo belangrijk is, zijn de bijzaken. De hoofdzaken van een tekst vind je vaak op
voorkeursplaatsen, zoals de inleiding of het slot van een tekst.
De hoofdzaak van een alinea staat in de kernzin. Dat is meestal de eerste zin
van de alinea. In de zinnen voor of na de kernzin staat dan een nadere uitleg of
een voorbeeld van iets uit de kernzin.
De kernzin kan ook de tweede zin zijn. Vaak geeft dan de eerste zin het ver-
band met andere alinea’s aan, bijvoorbeeld: Er is nog een derde reden waarom
een alcoholverbod niet helpt..
Soms is de laatste zin de kernzin. In die zin staat dan meestal een samenvatting
of conclusie.
Als je een tekst moet onthouden, kun je de belangrijkste informatie in een
samenvatting zetten. Een samenvatting schrijf je aan de hand van de
kernzinnen. Je samenvatting bevat in ieder geval de hoofdgedachte van de tekst.
H3: Tekstverbanden en signaalwoorden (1)
In een goede tekst hangen woorden, zinnen en alinea’s met elkaar samen. Die
samenhang heet het verband in de tekst. Door te letten op verbanden in de
tekst kun je de tekst beter begrijpen en bestuderen. Je kunt verbanden vaak
herkennen aan signaalwoorden.
© Noordhoff Uitgevers bv
Er bestaan verschillende tekstverbanden:
• In het geval van een chronologisch verband worden de gebeurtenissen in
de juiste tijdsvolgorde beschreven. Jaartallen zijn vaak een aanwijzing voor
een chronologisch verband. Verder herken je dit verband aan de signaal-
woorden: vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, nadat, terwijl, dadelijk,
intussen. Voorbeeld: Als je met de Thalys van Amsterdam naar Parijs reist,
maak je drie tussenstops: eerst in Rotterdam, dan in Antwerpen en vervolgens
in Brussel.
Nieuw Nederlands
Theorieoverzicht 2 vwo
© Noordhoff Uitgevers bv
Noordhoff Uitgevers Groningen
, 2
H1: Onderwerp, deelonderwerpen en hoofdgedachte
Lezen
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is,
bijvoorbeeld: ruimtereizen. Om het onderwerp te vinden lees je de tekst oriën-
terend: je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea. Ook bekijk je de bron.
In het middenstuk van een tekst worden meestal verschillende aspecten
(delen) van het onderwerp besproken. Dit noemen we deelonderwerpen.
Bij het onderwerp ‘nieuwsmedia’ horen bijvoorbeeld de deelonderwerpen ‘kran-
ten’, ‘televisie’, ‘radio’ en ‘internet’. Om de deelonderwerpen te vinden lees je
de tekst globaal: je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea’s.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in
de tekst over het onderwerp gezegd wordt. Bij het onderwerp ‘ruimtereizen’
kan de hoofdgedachte zijn: Met ruimtereizen zal in de toekomst veel verdiend
worden.
De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: wat is het belangrijkste wat in
de tekst over het onderwerp wordt gezegd? Vaak vind je de hoofdgedachte in
de inleiding of het slot.
Om te bepalen wat de hoofdgedachte van een tekst is, moet je de tekst
precies lezen: je leest de tekst goed van de eerste zin tot en met de laatste zin.
H2: Hoofd- en bijzaken, kernzinnen en samenvatten
De belangrijkste informatie in een tekst noemen we de hoofdzaken. Wat niet
zo belangrijk is, zijn de bijzaken. De hoofdzaken van een tekst vind je vaak op
voorkeursplaatsen, zoals de inleiding of het slot van een tekst.
De hoofdzaak van een alinea staat in de kernzin. Dat is meestal de eerste zin
van de alinea. In de zinnen voor of na de kernzin staat dan een nadere uitleg of
een voorbeeld van iets uit de kernzin.
De kernzin kan ook de tweede zin zijn. Vaak geeft dan de eerste zin het ver-
band met andere alinea’s aan, bijvoorbeeld: Er is nog een derde reden waarom
een alcoholverbod niet helpt..
Soms is de laatste zin de kernzin. In die zin staat dan meestal een samenvatting
of conclusie.
Als je een tekst moet onthouden, kun je de belangrijkste informatie in een
samenvatting zetten. Een samenvatting schrijf je aan de hand van de
kernzinnen. Je samenvatting bevat in ieder geval de hoofdgedachte van de tekst.
H3: Tekstverbanden en signaalwoorden (1)
In een goede tekst hangen woorden, zinnen en alinea’s met elkaar samen. Die
samenhang heet het verband in de tekst. Door te letten op verbanden in de
tekst kun je de tekst beter begrijpen en bestuderen. Je kunt verbanden vaak
herkennen aan signaalwoorden.
© Noordhoff Uitgevers bv
Er bestaan verschillende tekstverbanden:
• In het geval van een chronologisch verband worden de gebeurtenissen in
de juiste tijdsvolgorde beschreven. Jaartallen zijn vaak een aanwijzing voor
een chronologisch verband. Verder herken je dit verband aan de signaal-
woorden: vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, nadat, terwijl, dadelijk,
intussen. Voorbeeld: Als je met de Thalys van Amsterdam naar Parijs reist,
maak je drie tussenstops: eerst in Rotterdam, dan in Antwerpen en vervolgens
in Brussel.