Extra oefenopgaven boekje vraag & aanbod
Hoofdstuk 1
1. Q= -5p +200
Is bovenstaande functie een vraag- of aanbodfunctie? Waar kan je dit aan zien?
2. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= -10P + 450.
Teken bij bovenstaande vraagfunctie de vraaglijn in een grafiek.
3. Waarom neemt de betalingsbereidheid af wanneer je meer dezelfde producten koopt?
4. De prijs van een nieuwe Philips TV is €1.299,- Eva heeft een betalingsbereidheid van €1.450,-.
Bereken het consumentensurplus van Eva.
5. Leg het verschil uit tussen complementaire en substitutieproducten.
6. De prijselasticiteit van de vraag naar auto’s is -1,7. Wanneer de prijs van een auto met 8% stijgt,
wat zal er dan met de vraag gebeuren?
7. De prijselasticiteit van de vraag naar rekenmachines is -0,3. Om de vraag naar rekenmachines te
laten stijgen met 4% moet de prijs van rekenmachines….. % toenemen/stijgen.
8. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= -20P + 800. De prijs is gestegen van P=12 naar P=17.
A) Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar dit product.
B) Teken de bijbehorende vraaglijn in een grafiek.
C) Bereken de prijselasticiteit van de vraag wanneer de prijs stijgt van P=13 naar P=20
9. Bakkerij t’ Stoepje heeft bij een prijs van €2 per brood een prijselasticiteit van -0,3. De bakkerij
verkoopt 400 broden per week tegen een prijs van €2 per brood. Zij hebben dus een omzet van 400 x
2 = €800 per week.
A) Bereken de hoeveelheid verkochte broden bij een prijs van €3,50 per brood.
B) Bereken de omzet bij een prijs van €3,50 per brood.
C) Is de omzet gestegen of gedaald? Waar komt dit door.
10. Wanneer een ondernemer zijn prijs met 6% verhoogt en zijn afzet hierdoor met 2% ziet dalen. Is
zijn vraag dan elastisch of inelastisch? Waar kan je dit aan zien?
11. Wanneer het inkomen met 2% stijgt en hierdoor de vraag met 6% stijgt. Wat is dan de
inkomenselasticiteit? En wat voor soort goed is dit dan? Leg uit.
12. Het inkomen neemt toe van €3.000 naar €3.700. Hierdoor daalt de gevraagde hoeveelheid met
2%.
A) Bereken de inkomenselasticiteit van dit goed.
B) Wat voor soort goed is dit?
13. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= 2i – 2000
Waarbij i=inkomen in €
A) Bereken de inkomenselasticiteit van het inkomen wanneer deze stijgt van €5.200 naar €6.100.
B) Wat voor soort goed is dit?
Hoofdstuk 1
1. Q= -5p +200
Is bovenstaande functie een vraag- of aanbodfunctie? Waar kan je dit aan zien?
2. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= -10P + 450.
Teken bij bovenstaande vraagfunctie de vraaglijn in een grafiek.
3. Waarom neemt de betalingsbereidheid af wanneer je meer dezelfde producten koopt?
4. De prijs van een nieuwe Philips TV is €1.299,- Eva heeft een betalingsbereidheid van €1.450,-.
Bereken het consumentensurplus van Eva.
5. Leg het verschil uit tussen complementaire en substitutieproducten.
6. De prijselasticiteit van de vraag naar auto’s is -1,7. Wanneer de prijs van een auto met 8% stijgt,
wat zal er dan met de vraag gebeuren?
7. De prijselasticiteit van de vraag naar rekenmachines is -0,3. Om de vraag naar rekenmachines te
laten stijgen met 4% moet de prijs van rekenmachines….. % toenemen/stijgen.
8. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= -20P + 800. De prijs is gestegen van P=12 naar P=17.
A) Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar dit product.
B) Teken de bijbehorende vraaglijn in een grafiek.
C) Bereken de prijselasticiteit van de vraag wanneer de prijs stijgt van P=13 naar P=20
9. Bakkerij t’ Stoepje heeft bij een prijs van €2 per brood een prijselasticiteit van -0,3. De bakkerij
verkoopt 400 broden per week tegen een prijs van €2 per brood. Zij hebben dus een omzet van 400 x
2 = €800 per week.
A) Bereken de hoeveelheid verkochte broden bij een prijs van €3,50 per brood.
B) Bereken de omzet bij een prijs van €3,50 per brood.
C) Is de omzet gestegen of gedaald? Waar komt dit door.
10. Wanneer een ondernemer zijn prijs met 6% verhoogt en zijn afzet hierdoor met 2% ziet dalen. Is
zijn vraag dan elastisch of inelastisch? Waar kan je dit aan zien?
11. Wanneer het inkomen met 2% stijgt en hierdoor de vraag met 6% stijgt. Wat is dan de
inkomenselasticiteit? En wat voor soort goed is dit dan? Leg uit.
12. Het inkomen neemt toe van €3.000 naar €3.700. Hierdoor daalt de gevraagde hoeveelheid met
2%.
A) Bereken de inkomenselasticiteit van dit goed.
B) Wat voor soort goed is dit?
13. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv= 2i – 2000
Waarbij i=inkomen in €
A) Bereken de inkomenselasticiteit van het inkomen wanneer deze stijgt van €5.200 naar €6.100.
B) Wat voor soort goed is dit?